ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4379
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M. van Amsterdam
- H.E. Kostense
- J.P.F. Slijpen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraken over herinvesteringsreserve en ruilarresten bij verkoop en aankoop bedrijfsterreinen
Belanghebbende, onderdeel van een fiscale eenheid en actief in onroerend goed, kocht in 1996 grond met het voornemen deze als bedrijventerrein te gebruiken. In 2002 werd deze grond verkocht aan de gemeente met afspraken over gefaseerde levering van vervangende grond. Belanghebbende verkocht vervolgens delen van de grond aan derden, terwijl zij later bouwterreinen aankocht in verschillende bedrijventerreinen.
In geschil was of de winsten uit de verkoop van de grond in 2004 en 2005 konden worden toegevoegd aan een herinvesteringsreserve en of de ruilarresten toepassing vonden, waardoor de winsten konden worden verminderd met de aankoopprijs van nieuwe grond. Belanghebbende stelde dat de grond als bedrijfsmiddel moest worden aangemerkt vanwege het voornemen tot bedrijfsmatige exploitatie.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de grond met het oog op duurzame bedrijfsmatige exploitatie heeft verworven. De overgelegde stukken boden onvoldoende bewijs van een concreet exploitatievoornemen. Ook de aankoop van latere percelen nam niet dezelfde economische en functionele plaats in als de verkochte grond, waardoor de ruilarresten niet van toepassing zijn.
Daarom bevestigde het Hof het oordeel van de rechtbank dat de winsten niet konden worden toegevoegd aan een herinvesteringsreserve en dat het beroep ongegrond is. De aanslagen vennootschapsbelasting en de verliesvaststellingsbeschikking bleven gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.