ECLI:NL:GHAMS:2012:BX4219
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vonnis effectenlease met restschuldverdeling en vergoeding
In deze zaak is Dexia in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam inzake een effectenleaseovereenkomst met geïntimeerde. De overeenkomst, gesloten in januari 2000, betrof een lening van €31.987,20 voor de aankoop van aandelen, waarvan de restschuld na verkoop €5.031,80 bedroeg. De kantonrechter had Dexia veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde en de vorderingen van Dexia afgewezen.
Het hof oordeelt dat het toegepaste categoriemodel door de jurisprudentie van het hof en de Hoge Raad achterhaald is. Het onderscheid tussen betaalde rente en aflossing en de restschuld moet worden gemaakt, waarbij alleen vergoeding van betaalde termijnen aan de orde is indien sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last. Gezien de persoonlijke situatie van geïntimeerde, die destijds 22 jaar was, bij zijn ouders woonde en een netto inkomen had van €1.500,- met een maandlast van €341,11, is onvoldoende gesteld dat de overeenkomst een onaanvaardbaar zware last vormde.
Daarom is Dexia niet gehouden tot vergoeding van betaalde rente en aflossing, maar wel tot vergoeding van tweederde van de restschuld. Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van een derde deel van de restschuld en tot terugbetaling van het bedrag dat Dexia ter uitvoering van het vonnis heeft voldaan. De proceskosten van het eerste geding worden tussen partijen verrekend, en geïntimeerde wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Het arrest is gewezen door de rolraadsheer en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2012 door het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt geïntimeerde tot betaling van een derde van de restschuld en terugbetaling aan Dexia.