ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2297
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over douaneschuld en omzetbelasting bij onttrekking aan douanetoezicht
Belanghebbende, een logistiek dienstverlener, had onder de regeling extern communautair douanevervoer diverse zendingen geplaatst met als vertrekpunt Moerdijk en bestemmingen Antwerpen en Bremerhaven. De inspecteur legde naheffingsaanslagen (UTB’s) op wegens vermeende onttrekking aan het douanetoezicht. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van onttrekking, maar van een vormverzuim zonder werkelijke gevolgen, en verklaarde de beroepen gegrond.
Het Hof stelt dat het niet-aanbrengen van goederen bij het kantoor van bestemming en het niet beëindigen van de douaneregeling leiden tot onttrekking aan het douanetoezicht op grond van artikel 203 CDW Pro. De door belanghebbende overgelegde ontvangstbevestigingen voldoen niet aan de strikte bewijsvoorwaarden voor beëindiging van het douanevervoer. Het Hof volgt de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat deze omstandigheden een douaneschuld doen ontstaan.
Voorts oordeelt het Hof dat op hetzelfde moment ook omzetbelasting verschuldigd is op grond van artikel 61 van Pro de BTW-richtlijn en artikel 18 van Pro de Wet OB. De stelling van belanghebbende dat de goederen het douanegebied hebben verlaten en aldaar zijn geconsumeerd, maakt dit niet anders. Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de inspecteur ongegrond, waarbij een douaneschuld en omzetbelasting zijn vastgesteld.