ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2557
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens ontbonden rechtspersoon ondanks eerdere vervolging
In deze strafzaak tegen een ontbonden rechtspersoon heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2007, waarin de verdachte schuldig werd verklaard zonder strafoplegging.
De verdachte, een rechtspersoon zonder vaste woon- of verblijfplaats, werd ontbonden op 6 juli 2004 wegens het ontbreken van baten. De vervolging was echter reeds op 14 december 1998 gestart. Hoewel het openbaar ministerie ontvankelijk zou zijn volgens vaste jurisprudentie omdat de vervolging vóór de kenbaarheid van de ontbinding was ingesteld, oordeelt het hof anders.
Het hof stelt vast dat de verdere vervolging louter formeel is en niet aansluit bij de maatschappelijke realiteit, mede doordat de verdachte geen vertegenwoordiging heeft en geen liquide middelen bezit. Daarom verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging, terwijl de verdachte zelf ontvankelijk blijft vanwege mogelijke gevolgen voor oud-bestuurders.
Het arrest vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht door het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de ontbonden rechtspersoon.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de ontbonden rechtspersoon.