ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ5415
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep notaris tegen tussenbeslissing Kamer van Toezicht inzake onderzoek hypotheekfraude en ABC-transacties
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 10 april 2012 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van een notaris tegen een tussenbeslissing van de Kamer van Toezicht over notarissen en kandidaat-notarissen. De Kamer had op 26 oktober 2011 een beslissing genomen waarin formele verweren van de notaris gedeeltelijk werden verworpen en het Bureau Financieel Toezicht (BFT) ontvankelijk werd verklaard in bepaalde onderdelen van zijn klacht.
Het geschil betreft een onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van de notaris bij hypotheekfraude en risicovolle ABC-transacties in de periode 2003-2008, uitgevoerd door het BFT in opdracht van de voorzitter van de Kamer van Toezicht. De notaris voerde diverse formele verweren aan, onder meer over de ontvankelijkheid van het verzoek tot onderzoek, de bevoegdheden van het BFT, het toepasselijke toezichtkader en de vervaltermijnen.
Het hof oordeelde dat de beslissing van de Kamer waartegen het hoger beroep was ingesteld een tussenbeslissing betrof die geen einde maakte aan een deel van de procedure en daarom niet als einduitspraak kon worden aangemerkt. Hierdoor was het hoger beroep niet ontvankelijk. Het hof verwierp de overige argumenten van de notaris en wees de zaak terug naar de Kamer van Toezicht voor verdere behandeling.
De procedure omvatte uitgebreide schriftelijke en mondelinge behandeling, waarbij het hof ook de bevoegdheden van het BFT en de voorzitter van de Kamer van Toezicht in het kader van de Wet op het notarisambt (Wna), de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet Mot) heeft besproken. Het hof bevestigde de ontvankelijkheid van het BFT in zijn klacht voor zover deze betrekking had op transacties binnen de wettelijke vervaltermijn.
Uitkomst: De notaris wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de tussenbeslissing van de Kamer van Toezicht en de zaak wordt terugverwezen voor verdere afdoening.