ECLI:NL:GHAMS:2012:CA2563
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling incassowerkzaamheden door gerechtsdeurwaarder en presentatie in incassofase
In deze zaak stond centraal of een gerechtsdeurwaarder zich tijdens incassowerkzaamheden anders moet presenteren dan in de gerechtelijke fase. Klaagster had een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder omdat deze zich bij incassowerkzaamheden als gerechtsdeurwaarder presenteerde, terwijl de vordering zich nog in de incassofase bevond.
De voorzitter van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders verklaarde de klacht ongegrond, maar de kamer stelde vast dat de voorzitter de klacht verkeerd had opgevat. Het hof bevestigde dat de klacht ongegrond is omdat de gerechtsdeurwaarder volgens artikel 20 lid 3 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet bevoegd is om incassowerkzaamheden te verrichten zolang dit het aanzien van het ambt niet schaadt.
Het hof benadrukte dat de incassofase vloeiend overgaat in de gerechtelijke fase wanneer een gerechtsdeurwaarder het gehele traject uitvoert, waardoor een verschillende presentatie in beide fasen kunstmatig zou zijn. De gerechtsdeurwaarder hoeft niet kenbaar te maken dat hij geen exclusieve ambtshandelingen verricht. Wel mag een incassobureau zich niet als gerechtsdeurwaarder presenteren.
De beslissing van de voorzitter werd vernietigd, maar de klacht werd alsnog ongegrond verklaard en de bestreden beslissing bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof verklaart het verzet gegrond, vernietigt de beslissing van de voorzitter, maar verklaart de klacht ongegrond en bekrachtigt de bestreden beslissing.