Appellant was sinds 1 februari 1971 in dienst van een rechtsvoorganger van geïntimeerde’s Automobielbedrijf en werd arbeidsongeschikt in 1998. Hij ontving een WAO-uitkering en bleef op arbeidstherapeutische basis werkzaam. Automobielbedrijf betaalde zijn salaris door tot 1 juli 2005, waarna appellant de WAO-uitkering rechtstreeks van het UWV ontving. Appellant vorderde betaling van achterstallig salaris en wettelijke verhoging, stellende dat hem was toegezegd dat zijn WAO-uitkering tot zijn pensioen zou worden aangevuld.
De kantonrechter wees de vordering af omdat appellant het bewijs van deze toezegging niet leverde. In hoger beroep stelde geïntimeerde Beheer dat appellant niet-ontvankelijk was omdat hij de verkeerde rechtspersoon had gedagvaard; geïntimeerde Beheer was geen partij in eerste aanleg. Appellant betwistte dit, stellende dat Automobielbedrijf een handelsnaam was van geïntimeerde Beheer en dat hij niet hoefde te weten van de naamswijziging.
Het hof oordeelde dat er twee verschillende vennootschappen zijn ingeschreven in het handelsregister en dat appellant de verkeerde partij had gedagvaard. Hierdoor was hij niet-ontvankelijk in zijn appel. Daarnaast zou appellant ook inhoudelijk niet hebben gewonnen omdat hij onvoldoende bewijs leverde van de toezegging. Het hof veroordeelde appellant in de kosten van de procedure in hoger beroep, maar wees de vordering van geïntimeerde Beheer tot integrale advocaatkosten af wegens ontbreken van misbruik van recht.