Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
,
Gerechtshof Amsterdam
De verzoeker, die in verzekering was gesteld en voorlopige hechtenis onderging wegens verdenking van strafbare feiten, werd uiteindelijk onherroepelijk vrijgesproken. Hij verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 89 Wetboek Pro van Strafvordering voor de geleden schade door de hechtenis.
Het hof heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de wettelijke maatstaf dat schadevergoeding alleen wordt toegekend indien gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij is de proceshouding van de verzoeker meegewogen, die zich vrijwel geheel op zijn zwijgrecht heeft beroepen tijdens het vooronderzoek en de eerste aanleg, en pas summier en algemeen heeft verklaard in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat deze proceshouding heeft bijgedragen aan het voortduren van de voorlopige hechtenis en daarmee aan het ontstaan en de omvang van de schade. De verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat de schade ontstond of groter werd.
Daarom ontbreken gronden van billijkheid voor toekenning van schadevergoeding en wordt het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis wordt afgewezen vanwege het ontbreken van gronden van billijkheid.