Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2013:2687

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 augustus 2013
Publicatiedatum
29 augustus 2013
Zaaknummer
200.128.218-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in kort geding over zekerheidsstelling proceskosten bij vermogensbeheer

In deze zaak is appellant in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in een kort geding over vermogensbeheer waarbij aanzienlijke bedragen van vader naar zoon zijn overgeboekt. Appellant heeft vijftien grieven ingediend. Geïntimeerde vordert in een incident dat appellant zekerheid stelt voor de proceskosten die bij bekrachtiging van het vonnis kunnen worden opgelegd.

Het hof beoordeelt dat appellant, die geen woonplaats in Nederland heeft, op grond van artikel 224 lid 1 Rv Pro in beginsel verplicht is zekerheid te stellen voor proceskosten. Er is geen verdrag of EG-Verordening die deze verplichting uitsluit. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verhaal in Nederland mogelijk is, noch dat de zekerheidstelling de toegang tot de rechter onredelijk belemmert.

Het hof bepaalt de hoogte van de zekerheid op € 13.238,- en stelt dat deze binnen veertien dagen moet worden gesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt niet aangehouden maar naar de rol verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door geïntimeerde. De beslissing over de proceskosten van het incident wordt aangehouden tot het eindarrest.

Uitkomst: Appellant moet binnen veertien dagen een bankgarantie van €13.238,- stellen voor proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.128.218/01 KG
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/535016/KG ZA 13-114 SR/KR
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 augustus 2013
inzake
[APPELLANT],
wonend te [woonplaats],
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat:
mr. M. Koudstaalte Haarlem,
tegen:
[GEÏNTIMEERDE],
wonend te [woonplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat:
mr. J.D. Boonte Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 29 mei 2013 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2013, dat onder bovengenoemd zaaknummer is gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. [appellant] heeft overeenkomstig de appeldagvaarding van vijftien grieven gediend en geconcludeerd als aan het slot van die memorie vermeld.
Bij incidentele memorie heeft [geïntimeerde] op de voet van artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gevorderd dat [appellant] zekerheid zal stellen voor de - bij een bekrachtiging van het bestreden vonnis - te verwachten proceskostenveroordeling ten bedrage van € 17.133,-, althans een ander door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, in de vorm van een bankgarantie bij een Nederlandse systeembank die op vertoon van een onherroepelijke of uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak kan worden getrokken, op straffe van niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in de hoofdzaak in hoger beroep. [geïntimeerde] heeft daarnaast in het incident gevorderd dat de hoofdzaak in hoger beroep zal worden aanhouden in afwachting van de zekerheidsstelling door [appellant] alvorens [geïntimeerde] een termijn van vier weken te geven voor het indienen van een memorie van antwoord. Een en ander met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het incident, uitvoerbaar bij voorraad.
[appellant] heeft geantwoord in het incident en geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn incidentele vordering, althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van het incident.
Bij beslissing van de rolraadsheer van 15 augustus 2013 is arrest in het incident bepaald op heden.

2.Beoordeling

In het incident
2.1.
Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende. In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van voorschotten van € 500.000,- en 702.000,-, althans door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedragen, alsmede van buitengerechtelijke kosten ad € 8.655,- exclusief BTW en van de proceskosten. Voorts heeft [appellant] gevorderd dat een bevelschrift zal worden afgegeven ten aanzien van de na het vonnis ontstane kosten, begroot op € 10.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de gevorderde voorzieningen geweigerd. De proceskosten zijn, gelet op de relatie tussen partijen, gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
2.2.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
2.3.
Op grond van artikel 224 lid 1 Rv Pro dient degene die zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden.
2.4.
Er is geen verdrag of EG-Verordening als in artikel 224 lid 2 onder Pro a Rv bedoeld waaruit voorvloeit dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat.
2.5.
Er is evenmin sprake van een verdrag, EG-Verordening of wet op grond waarvan een eventuele proceskostenveroordeling in Monaco ten uitvoer zal kunnen worden gelegd. [appellant] valt derhalve ook niet onder de in artikel 224 lid 2 sub b Rv Pro genoemde uitzondering op de verplichting tot zekerheidstelling, zodat hij in beginsel zekerheid dient te stellen.
2.6.
[appellant] heeft aangevoerd dat, blijkens een rendementsoverzicht over 2011 en 2012, sprake is van een rekening courant positie van € 249.925,- zodat redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal in Nederland mogelijk zal zijn als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder Pro c Rv. [appellant] heeft echter geen specifieke verhaalsinformatie verschaft. Deze stelling is derhalve onvoldoende onderbouwd.
2.7.
Dat door de verplichting tot het stellen van proceskostenzekerheid de effectieve toegang tot de Nederlandse rechter voor [appellant] wordt belemmerd als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder Pro d Rv, is niet voldoende aannemelijk geworden. Ook overigens is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van chantage door [geïntimeerde], chicaneus handelen danwel misbruik van het procesrecht, zoals [appellant] heeft betoogd.
2.8.
Uit het vorenstaande volgt dat de onderhavige incidentele vordering zal worden toegewezen als na te melden.
2.9.
Het hof zal de hoogte van de gevorderde zekerheidsstelling bepalen op € 13.238,-, uitgaande van € 1.553,- aan verschotten en drie salarispunten (memorie van antwoord en pleidooi) op grond van een liquidatietarief van € 3.895,-.
2.10.
De beslissing met betrekking tot de proceskosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
2.11.
Het hof ziet, gelet op de aard van de zaak, geen aanleiding de hoofdzaak (verder) aan te houden. De hoofdzaak zal derhalve, ter voorkoming van nodeloze vertraging van de procedure, naar de rol worden verwezen het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerde]
2.12.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

3.Beslissing

Het hof:
in het incident
beveelt dat [appellant] aan [geïntimeerde] zekerheid stelt voor een bedrag van € 13.238,- ter zake van de proceskosten waarin [appellant] veroordeeld zou kunnen worden;
bepaalt dat [appellant] voormelde zekerheid stelt in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven bankgarantie;
bepaalt dat de zekerheid moet zijn gesteld binnen een termijn van veertien dagen na deze uitspraak, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [appellant] in de hoofdzaak;
houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 24 september 2013 voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerde];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.H. Huijzer en C. Uriot en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2013.