ECLI:NL:GHAMS:2013:2712
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aansprakelijkheid aandeelhouder voor vennootschapsbelasting en toepassing disculpatie Invorderingswet
Belanghebbende was enig aandeelhouder en bestuurder van een BV die in 2004 aandelen heeft verkocht aan [Y] B.V. De BV had een herinvesteringsreserve (hir) gevormd uit een eerdere verkoop van onroerende zaken, maar deed in 2004 geen aangifte vennootschapsbelasting. De aanslag werd ambtshalve vastgesteld en belanghebbende aansprakelijk gesteld op grond van artikel 40 Invorderingswet Pro 1990.
De rechtbank had de aansprakelijkstelling verminderd, maar het hof bevestigt dat de BV’s activa voornamelijk bestonden uit beleggingen, waaronder een vordering op belanghebbende. Het vermogen van de BV was verminderd door het faillissement van [Y], de koper van de aandelen, waardoor de vennootschapsbelasting niet kon worden voldaan.
Belanghebbende voerde aan dat hij zich op de disculpatiemogelijkheid beriep omdat hij te goeder trouw had gehandeld en zich had laten adviseren. Het hof oordeelt dat hij onvoldoende zorgplicht heeft betracht, geen zekerheid heeft verlangd bij de overdracht en zich onvoldoende heeft ingespannen om te voorkomen dat de BV haar fiscale verplichtingen niet kon nakomen.
Verder wordt geoordeeld dat de herinvesteringsreserve in 2004 is vrijgevallen omdat het voornemen tot herinvestering ontbrak. De aanslag is correct vastgesteld en de aansprakelijkstelling is terecht. De grieven over eigen schuld van de ontvanger en ontoereikende informatievoorziening worden verworpen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de vennootschapsbelasting en wijst het beroep op disculpatie af wegens onvoldoende zorgplicht.