Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
(…)
De uitbetaling is gedaan door notaris [D] (…).
De heer [N] en ik kennen elkaar al meer dan twintig jaar. Door de jaren heen heb ik vaak geïnvesteerd in projecten waarin de heer [N] zelf ook investeerde. (…) Het is niet gebruikelijk dat deze zaken worden vastgelegd. Daarbij kan [N] zeer slecht lezen en schrijven. Tot op heden is er geen noodzaak tot schriftelijke vastlegging geweest (…).”
3.Geschil in hoger beroep
4. Beoordeling van het geschil
De genoemde personen hebben voor aankoop van het [B-terrein] op 18 februari 2005 ook geen storting gedaan die zou kunnen wijzen op het bestaan van een participatieovereenkomst. Van mevrouw [E2] is in het geheel niet vast komen te staan dat zij enig bedrag heeft ingelegd of storting heeft gedaan ter zake van aankoop van de grond of het genoemde project. De heer [K] en mevrouw [L] hebben bedragen gestort respectievelijk doen storten nadat de onderhavige grond was aangekocht. De rechtbank acht evenmin aannemelijk dat eiseres het project maximaal met vreemd vermogen van de bank heeft willen financieren en dat inleg van de participanten was bedoeld om na aankoop van de grond andere uitgaven in verband met het project te dekken. Doorslaggevend hiertoe acht de rechtbank dat voor mevrouw [L] stortingen hebben plaatsgevonden op 13 juli 2005 terwijl het [B-terrein] reeds was verkocht op 1 juli 2005.
[E2], [L] en [K] zijn niet bij de aankoop van het [B-terrein] betrokken geweest. Naar aanleiding van de verklaring van [K] heeft de inspecteur aangevoerd dat de prijs voor de aankoop van het [B-terrein] reeds op 18 februari 2005 was voldaan en dat, zoals de rechtbank onbetwist heeft vastgesteld, [K] op 5 april 2005 € 100.000 heeft gestort, niet duidelijk is geworden wat de bestemming van deze storting is geweest. Voor de inspecteur staat weliswaar vast dat het door [K] gestorte bedrag aan hem is terugbetaald en dat daarenboven € 90.000 aan hem is betaald, maar de reden voor die extra betaling is niet duidelijk geworden en dat deze betaling verband houdt met de verkoop van het [B-terrein] acht de inspecteur niet aannemelijk. Belanghebbende heeft geen zakelijke reden voor de betalingen aannemelijk gemaakt en het heeft op haar weg gelegen dat te doen.