ECLI:NL:GHAMS:2013:2779

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 september 2013
Publicatiedatum
5 september 2013
Zaaknummer
200.121.191-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 RvArt. 66 RvArt. 476 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot nietigverklaring derdenbeslag wegens onjuiste betekening

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het derdenbeslag dat op zijn AOW-uitkeringen was gelegd ongeldig is omdat het exploot niet aan het juiste kantoor van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) was betekend. Het beslagexploot was betekend aan het kantoor van SVB te Nijmegen, terwijl appellant stelde dat betekening had moeten plaatsvinden aan het hoofdkantoor in Amstelveen of het kantoor te Rotterdam waar hij onder viel.

De rechtbank had de vordering afgewezen omdat niet was gebleken dat SVB door de betekening aan het verkeerde kantoor onredelijk was benadeeld, zoals vereist volgens artikel 66 Rv Pro in samenhang met artikel 49 Rv Pro. Appellant voerde in hoger beroep twee grieven aan: ten eerste dat hij zelf onredelijk was benadeeld doordat hij lange tijd onbekend bleef met het beslag en daardoor bepaalde wettelijke rechten niet kon uitoefenen, en ten tweede dat de onderliggende beschikkingen waarop het beslag was gebaseerd niet geldig aan hem waren betekend.

Het hof verwierp beide grieven. Het wettelijke criterium voor nietigheid ziet op het nadeel van degene voor wie het exploot bestemd is (hier SVB), niet op het nadeel van degene ten laste van wie het beslag is gelegd. SVB had geen nadeel ondervonden en appellant had dit niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast was het niet aan SVB om de geldigheid van de onderliggende beschikkingen te toetsen; haar taak was slechts uitvoering te geven aan het beslag. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot nietigverklaring van het derdenbeslag af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.121.191/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 519401/HA ZA 12-721
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 september 2013
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,
tegen:
de rechtspersoon
SOCIALE VERZEKERINGSBANK,
gevestigd te Amstelveen,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.C. Krekel te Leiden.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en SVB genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 23 oktober 2012 (gevolgd door een herstelexploit van 28 december 2012) in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2012, gewezen tussen [appellant] als eiser en SVB als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, de in eerste aanleg door [appellant] ingestelde vorderingen geheel dan wel gedeeltelijk zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.
SVB heeft primair geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis en subsidiair dat [appellant] niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen, althans dat deze worden afgewezen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten en de nakosten.
SVB heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2.Feiten

SVB heeft uitvoering gegeven aan een op 23 mei 2006 onder haar door W.F. Klercq gelegd executoriaal derdenbeslag ten laste van [appellant]. Het beslagexploot is betekend op het kantoor van SVB te Nijmegen.

3.Beoordeling

3.1.
[appellant] vorderde in de eerste aanleg van dit geding een verklaring voor recht dat het op 23 mei 2006 laste van hem door genoemde Klercq onder SVB gelegde beslag ongeldig is en/of dat SVB onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door ondanks het ongeldige of niet-bestaande beslag op zijn AOW-uitkeringen inhoudingen te doen, alsmede, de veroordeling van SVB tot vergoeding van de als gevolg daarvan door hem geleden en te lijden schade, op te maken bij staat. [appellant] legde aan deze vorderingen in het bijzonder ten grondslag dat het beslagexploot niet rechtsgeldig is betekend, nu dat op het kantoor van SVB in Nijmegen is gebeurd en niet op haar hoofdkantoor te Amstelveen dan wel het kantoor waar [appellant] onder viel, dat te Rotterdam.
3.2.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen omdat volgens artikel 66 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet-naleving van het bepaalde in artikel 49 Rv Pro alleen dan nietigheid meebrengt voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek onredelijk is benadeeld. Dat SVB door betekening aan het kantoor in Nijmegen zou zijn benadeeld is niet gesteld noch gebleken en onder die omstandigheden moet er van worden uitgegaan dat het beslagexploot geldig is betekend, aldus de rechtbank.
3.3.
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met twee grieven op.
3.4.
Grief 1 behelst dat de betekening van het beslagexploot niet volgens de wet heeft plaatsgevonden en dat [appellant] daardoor onredelijk is benadeeld, doordat hij lange tijd onbekend is gebleven met het beslag en bepaalde wettelijke bevoegdheden niet kon uitoefenen, zoals de schorsingsmogelijkheid van artikel 476 Rv Pro. Volgens [appellant] zou ook SVB door de gehanteerde wijze van betekening onredelijk zijn benadeeld.
De grief faalt. Voormelde wettelijke regeling ziet op nadeel dat degene voor wie het exploot is bestemd zou kunnen leiden, in dit geval SVB, maar niet op mogelijk nadeel van degene ten laste van wie het beslag wordt gelegd. Dat SVB nadeel zou hebben geleden is door [appellant] eerst bij memorie van grieven aangevoerd, maar niet onderbouwd, terwijl dit door SVB gemotiveerd wordt betwist. Reeds daarom moet aan die stelling voorbij worden gegaan.
3.5.
Grief 2 klaagt erover dat de rechtbank niet heeft gerespondeerd op de stellingen van [appellant] dat “de beschikkingen van 9 januari 1991 en 20 maart 1991” op grond waarvan het beslag is gelegd , niet tevoren geldig aan hem zijn betekend en dat ook om die reden geen sprake kan zijn van een geldig beslag.
Ook deze grief slaagt niet. De door [appellant] bedoelde stelling is naar het oordeel van het hof irrelevant voor de beoordeling van het geschil. Het was immers niet aan SVB om als derdebeslagene te toetsen of de bedoelde uitspraken op juiste wijze aan [appellant] waren betekend en het lag slechts op haar weg uitvoering te geven aan de wettelijke verplichting medewerking te verlenen aan de beslaglegging door tot het afleggen van een verklaring en tot afdracht van onder haar rustende gelden van [appellant] over te gaan.
3.6.
De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep tot aan deze uitspraak aan de zijde van SVB begroot op € 683,= aan verschotten en € 894,= voor salaris, te vermeerderen met € 131,= wegens nakosten zonder betekening en met € 199,= wegens nakosten in geval van betekening;
verklaart dit arrest ten aanzien van deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, R.J.M. Smit en L.A.J. Dun en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 september 2013.