ECLI:NL:GHAMS:2013:2981

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 september 2013
Publicatiedatum
19 september 2013
Zaaknummer
200.126.679-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering advocaat tot betaling onbetaalde rekening toegewezen in hoger beroep

In deze civiele zaak vorderde de appellant, een advocatenmaatschap, betaling van een onbetaalde factuur van de geïntimeerde. De rechtbank Alkmaar wees de vordering af vanwege onvoldoende onderbouwing, met name door gebrek aan inzicht in incasso's via deurwaarder.

Het hof neemt de door de appellant overgelegde aanvullende stukken, waaronder een overzicht van openstaande facturen en e-mails van de deurwaarder, mee in haar beoordeling. Deze stukken tonen voldoende aan dat de vordering bestaat en dat slechts een klein bedrag per maand wordt verrekend.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en stelt de hoofdsom van de vordering vast op € 6.214,41 per 25 juni 2013, met daarnaast € 1.269,56 aan rente en kosten. De geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen en in de proceskosten van beide instanties. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering van de advocaat tot betaling van € 6.214,41 plus rente en kosten toe en veroordeelt de geïntimeerde in de proceskosten.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.126.679/01
zaaknummer rechtbank (Alkmaar) : 130174 HA ZA/11-485
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 september 2013
inzake
[de maatschap]
[VAN DIEPEN VAN DER KROEF ADVOCATEN],
gevestigd te[Hoorn],
appellante,
advocaat: mr. S. de Kruijff, te[Hoorn],
tegen:
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],
geïntimeerde,
niet verschenen.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.
De [appellante] is bij dagvaarding van 14 juni 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Alkmaar van 25 april 2012, voor zover gewezen tussen de [appellante] als eiseres in conventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie.
Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend.
De [appellante] heeft bij memorie van grieven en onder overlegging van producties geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van de [appellante] in hoofdsom (per 25 juni 2013) zal vaststellen op € 6.214,41, de vordering aan verschenen rente en kosten (eveneens per 25 juni 2013) zal vaststellen op € 1.269,56 en [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van een en ander, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
Ten slotte heeft de [appellante] arrest gevraagd.
2. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 een aantal feiten als vaststaand aangemerkt. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3.Beoordeling

3.1.
De [appellante] heeft in eerste aanleg – na vermeerdering van eis - de betaling van [geïntimeerde] gevorderd van een bedrag van € 8.624,35, met rente en kosten. Zij legde aan haar vordering ten grondslag dat [geïntimeerde], bij monde van haar vader, haar opdracht heeft gegeven juridische werkzaamheden te verrichten. [geïntimeerde] dient de nog niet betaalde kosten in verband met die werkzaamheden aan de [appellante] te betalen, aldus de [appellante].
3.2.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd, een en ander zoals in het vonnis onder 3.2 weergegeven. De rechtbank heeft de verweren deels verworpen, zoals in het vonnis onder 4.1 tot en met 4.10 vermeld.
Het hof verenigt zich op deze punten met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat berust en neemt dat over.
3.3.
Ten aanzien van het verweer van [geïntimeerde] dat de vordering van de [appellante] zou worden verrekend met de bedragen die de [appellante] voor haar zou incasseren bij de wederpartij in de door haar gevoerde procedures, geldt het volgende. Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld is niet in geschil dat een dergelijke verrekening plaatsvindt, maar ziet de vordering op dat gedeelte van de vordering dat niet uit die incasso kan worden voldaan. De rechtbank heeft te dien aanzien (in overweging 4.11) geoordeeld dat de [appellante] de vordering onvoldoende heeft onderbouwd, omdat zij heeft nagelaten inzicht te verschaffen in de bedragen die sinds 16 maart 2011 door de deurwaarder waren geïncasseerd, terwijl zij evenmin inzicht heeft gegeven of en zo ja, hoeveel van het saldo dat blijkt uit een door de deurwaarder opgesteld overzicht, nog diende te worden afgedragen aan de [appellante]. Dit heeft geleid tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de [appellante] in de proceskosten.
3.4.
Tegen deze laatste beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de [appellante] met haar grieven op. Grief I ziet daarbij op het oordeel van de rechtbank dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en grief II op de beslissing ten aanzien van de kostenveroordeling. Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.5.
De [appellante] heeft bij de memorie van grieven een viertal producties overgelegd, inhoudende - kort gezegd - een overzicht van openstaande factuurbedragen betreffende [geïntimeerde] en een drietal e-mails van de deurwaarder aan de [appellante], uit welk een en ander - bij gebreke van betwisting door [geïntimeerde] - naar het oordeel van het hof genoegzaam blijkt dat de [appellante] een vordering op [geïntimeerde] heeft ter grootte van de gevorderde bedragen, met dien verstande dat daaruit eveneens volgt dat op de datum van dit arrest waarschijnlijk een bedrag van € 7,34 per maand sinds 25 juni 2013 verrekend zal zijn.
3.6.
De grieven slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

4.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:
stelt de vordering van de [appellante] op [geïntimeerde] per 25 juni 2013 in hoofdsom vast op € 6.214,41 en veroordeelt [geïntimeerde] om dit bedrag aan de [appellante] te betalen (met vermindering van wat sinds die datum nog met [geïntimeerde] is verrekend);
stelt de vordering van de [appellante] op [geïntimeerde] ter zake van verschenen rente en kosten per 25 juni 2013 vast op € 1.269,56 en veroordeelt [geïntimeerde] om dit bedrag aan de [appellante] te betalen;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van de [appellante] begroot op € 285,31 aan verschotten en € 960,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 759,17 aan verschotten en € 632,- voor salaris;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, R.J.M. Smit en L.A.J. Dun en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013.