Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 189.986,33 +
€ 250.715,77 +
€ 3.673,38 +
€ 105.522,53 +
Gerechtshof Amsterdam
De heffingsambtenaar stelde de waarde van een in 2010 aangelegde jachthaven op €1.145.000 vast voor het kalenderjaar 2011, wat leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting. Belanghebbende, een watersportvereniging en gebruiker van de jachthaven, maakte bezwaar en stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hoger beroep bij het Hof bevestigde deze uitspraak.
Het Hof oordeelde dat het bewijsaanbod van belanghebbende om lagere stichtingskosten aan te tonen met offertes van aannemers te laat was gedaan en daarom niet werd toegelaten. De rechtbank en het Hof baseerden zich op de gecorrigeerde vervangingswaarde, waarbij de stichtingskosten van ruim €2,2 miljoen inclusief btw waren gespecificeerd. De omzetbelasting werd in mindering gebracht omdat deze via het BTW-compensatiefonds verrekenbaar is.
Belanghebbende voerde aan dat subsidies en afschrijvingen in mindering moesten worden gebracht en dat vergelijkingen met andere jachthavens het gelijkheidsbeginsel rechtvaardigden, maar deze bezwaren werden verworpen. Het Hof stelde vast dat subsidies geen waardeverminderende omstandigheid zijn en dat de waardering van andere jachthavens niet relevant is omdat deze buiten het heffingsgebied van de gemeente vallen.
De waarde van de grond en het water behorende bij de jachthaven werd buiten beschouwing gelaten omdat deze niet in de stichtingskosten waren begrepen. Het Hof bevestigde dat de heffingsambtenaar de waarde niet te hoog had vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de jachthaven wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.