ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2246
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- A.M.J.G. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid navorderingsaanslag op grond van nieuw feit bij aankoop BMW
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of de inspecteur bevoegd was om een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2002 op te leggen aan belanghebbende. De inspecteur baseerde zijn bevoegdheid op een nieuw feit, namelijk een renseignement van de FIOD over de aankoop van een BMW door belanghebbende.
Belanghebbende betwistte dat de inspecteur over een nieuw feit beschikte en stelde dat de inspecteur al eerder redelijkerwijs van deze informatie op de hoogte had kunnen zijn, waardoor sprake zou zijn van ambtelijk verzuim. Tevens voerde belanghebbende aan niet te kwader trouw te zijn geweest en wilde zich in hoger beroep alsnog beroepen op het ontbreken van het nieuwe feit.
Het hof oordeelde dat het renseignement pas op 14 april 2006 aan de inspecteur bekend werd, nadat de aanslagtermijn was verstreken. Verder was het voor de inspecteur niet redelijkerwijs te verlangen dat hij zonder bijzondere aanleiding zelf informatie over de BPM-betaling, RDW-registratie en motorrijtuigenbelasting zou inwinnen. Belanghebbende stelde geen feiten die een bijzondere omstandigheid aannemelijk maakten. Daarom beschikte de inspecteur over het vereiste nieuwe feit en was hij bevoegd tot navordering.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De proceskostenveroordeling werd achterwege gelaten.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de inspecteur bevoegd was tot navordering op basis van het nieuwe feit en verklaart het hoger beroep ongegrond.