ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3308
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vergrijpboeten en heffingsrente bij niet aangegeven inkomsten gastouderschap
Belanghebbende diende aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2007 en 2008 in met nihil belastbaar inkomen. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op wegens niet aangegeven inkomsten uit gastouderschap, met vergrijpboeten van 25% en heffingsrente.
De rechtbank verklaarde het beroep op de boetes deels ongegrond en deels gegrond. In hoger beroep bevestigt het Hof dat de boetes terecht zijn opgelegd omdat belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de aanslagen te laag waren door het niet aangeven van inkomsten. Het beroep op het besluit redelijke wetstoepassing voor heffingsrente faalt omdat dit niet van toepassing is op aanslagbelastingen.
Het Hof matigt de boetes vanwege persoonlijke omstandigheden van belanghebbende tot € 250 per beschikking. Tevens veroordeelt het Hof de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en gelast betaling aan de griffier. De uitspraak van de rechtbank wordt voor zover het boetebeschikkingen betreft vernietigd.
Uitkomst: De vergrijpboeten worden bevestigd maar gematigd tot € 250 per beschikking; het beroep op redelijke wetstoepassing voor heffingsrente wordt afgewezen.