ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3314
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake toepassing herinvesteringsreserve en belangenwijziging bij aandelenoverdracht
Belanghebbende vormde een herinvesteringsreserve (HIR) in verband met de vervreemding van onroerende zaken en boekte deze af op vervangende investeringen. De inspecteur stelde dat het uiteindelijke belang in belanghebbende in belangrijke mate was gewijzigd voordat de herinvestering had plaatsgevonden, waardoor de HIR moest worden toegevoegd aan de winst. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de HIR al mocht worden afgeboekt op het moment van de koopovereenkomsten.
Het Hof oordeelde dat activering van de vervangende bedrijfsmiddelen pas mogelijk is vanaf het moment dat de economische eigendom is overgedragen. Dit was slechts het geval voor één pand vóór de aandelenoverdracht. Voor de overige onroerende zaken was de economische eigendom pas na de belangenwijziging overgedragen, zodat de HIR daarvoor nog op de balans stond en moest worden toegevoegd aan de winst.
De inspecteur voerde subsidiair een beroep op fraus legis aan, maar het Hof verwierp dit omdat onvoldoende aannemelijk was dat de transacties geen reële bedrijfseconomische betekenis hadden. Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, stelde de aanslag bij en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: De herinvesteringsreserve moet deels aan de winst worden toegevoegd omdat de belangenwijziging plaatsvond nadat slechts één onroerende zaak economisch was overgedragen.