ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4636
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over persoonsgebonden aftrek voor uitgaven levensonderhoud dochter
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat hij recht had op persoonsgebonden aftrek voor uitgaven aan het levensonderhoud van zijn dochter in 2008. De inspecteur had deze aftrek geweigerd en de rechtbank had het beroep ongegrond verklaard.
Het hof stelde vast dat belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat hij een dochter had, maar onvoldoende bewijs had geleverd dat hij haar in belangrijke mate financieel ondersteunde. De overgemaakte bedragen waren niet aantoonbaar bestemd voor haar levensonderhoud en er was geen overtuigend bewijs dat zij behoeftig was of onderwijs volgde waarvoor geen studiefinanciering bestond.
Daarom oordeelde het hof dat de aanslag juist was vastgesteld en dat de persoonsgebonden aftrek terecht was geweigerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2008 wordt bevestigd.