ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9394
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- H.E. Kostense
- A.M.J.G. van Amsterdam
- D.B. Bijl
- Rechtspraak.nl
Putoptiepremies van vervallen opties vallen niet onder aanmerkelijkbelangregime
Belanghebbende had in 2001 en 2002 putopties verworven op aandelen van een vennootschap, waarvoor premies waren betaald. Deze putopties waren vervallen door het verstrijken van de looptijd. In 2004 vervreemdde belanghebbende een deel van zijn aandelenpakket en vorderde hij in de belastingaangifte de premies van de vervallen putopties in mindering te brengen op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang.
De inspecteur wees dit af, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Het Hof Amsterdam bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het Hof overwoog dat de wetgever in artikel 4.32 van de Wet IB 2001 uitdrukkelijk heeft bepaald dat premies voor putopties alleen als kosten in aanmerking komen indien de opties daadwerkelijk worden uitgeoefend.
De wetsgeschiedenis toont dat deze regeling bewust is gekozen om misbruik te voorkomen, waarbij premies van niet-uitgeoefende putopties niet aftrekbaar zijn. Het Hof verwierp het standpunt van belanghebbende dat de premies integraal tot het aanmerkelijk belang zouden moeten worden gerekend, omdat dit niet strookt met de tekst, systematiek en bedoeling van de wetgever.
De uitspraak bevestigt dat premies voor door tijdsverloop vervallen putopties niet kunnen worden afgetrokken van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, ook niet indien de putopties een zakelijke achtergrond hadden. De rechtbankuitspraken worden daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De betaalde premies voor door tijdsverloop vervallen putopties mogen niet in mindering worden gebracht op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang.