Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9578

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
200.123.936-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 3 FwArt. 355 lid 1 RvArt. 71 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Appelverbod bij faillissement en salaris curator geen grond voor doorbreking

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn faillietverklaring door de rechtbank Amsterdam. Het hof constateert dat het beroepschrift te laat is ingediend, maar acht de termijnoverschrijding verschoonbaar vanwege late ontvangst van het vonnis door de advocaat van appellant.

Het hof onderzoekt vervolgens of het appelverbod ex artikel 15 lid 3 Faillissementswet Pro doorbroken kan worden. Appellant stelde dat fundamentele rechtsbeginselen, zoals het hoor en wederhoor, zijn geschonden bij de vaststelling van het salaris van de curator. Het hof oordeelt dat de rechtbank niet gehouden was appellant te horen over het curatorsalaris en dat de advocaat van appellant voldoende gelegenheid had om zich over de proceskosten uit te laten.

Daarmee is geen sprake van schending van fundamentele rechtsbeginselen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het faillissementsverzoek blijft afgewezen.

Uitspraak

arrest
________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.123.936/01
insolventienummer rechtbank (plaats) : 13/39-F (Amsterdam)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 april 2013
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende te [woonplaats],
APPELLANT,
advocaat: mr. J.P. van Rossum te Amsterdam,
tegen
mr. M.W. Renzen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KANTOORINSTALLATIES [T.] I. B.V. ,
gevestigd te Rotterdam,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. M.W. Huijzer te Rotterdam (onttrokken).
1. Het geding in hoger beroep
Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.
[appellant] is bij op 15 maart 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2013, waarbij het verzoek van mr. M.W. Renzen q.q. tot faillietverklaring van [appellant] is afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld op de zitting van het hof van 16 april 2013. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Van Rossum voornoemd, die het verzoekschrift heeft toegelicht. Geïntimeerden zijn niet verschenen, ondanks correcte oproeping van [appellant]. Voorts is de (voormalig) curator, mr. J.E.P.A. van Hooff, verschenen.
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1. Ingevolge artikel 355, eerste lid, Faillissementswet staat hoger beroep open gedurende acht dagen na de uitspraak. Het beroepschrift is op 15 maart 2013 binnengekomen ter griffie van het hof. De beroepstermijn is dus overschreden. Dit moet in beginsel leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in het hoger beroep. De beroepstermijn moet strikt worden gehandhaafd.
2.2. Een uitzondering is echter gerechtvaardigd indien [appellant] ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een vonnis had uitgesproken en het vonnis hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de beroepstermijn is toegezonden of verstrekt, althans nog wel binnen de beroepstermijn, maar zo laat dat daartegen binnen die termijn redelijkerwijs zelfs niet meer een beroepschrift kan worden ingediend waarin de gronden voor het beroep niet zijn opgenomen.
2.3. [appellant] heeft aangevoerd dat hem van de te late indiening van het hoger beroep geen verwijt kan worden gemaakt. [appellant] heeft eerst op vrijdag 8 maart 2013 via de elektronische post van curator mr. Van Hooff, kennis genomen van de inhoud van het vonnis van 28 februari 2013. De advocaat van [appellant] heeft het vonnis pas op 14 maart 2013 onder ogen gekregen, ondanks de mededeling van de griffie van de rechtbank aan de griffier van het hof dat een afschrift van het vonnis op 28 februari 2013 aan zijn kantoor is verzonden. Ter zitting in hoger beroep heeft mr. Van Rossum nog aangevoerd dat hij kantoor houdt in het WTC, waar hij reeds drie keer eerder geen poststukken heeft ontvangen vanwege verbouwingen in het gebouw.
2.4. De door [appellant] gestelde omstandigheden rechtvaardigen een uitzondering op bovengenoemde regel. Nu niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld wanneer het vonnis door [appellant] / mr. Van Rossum is ontvangen en de rechtbank, blijkens het van de zitting opgemaakte p-v, bij de mondelinge behandeling op 27 februari 2013 niet heeft medegedeeld op welke datum zij vonnis zou wijzen, neemt het hof aan dat het vonnis op 8 maart 2013 aan [appellant] is verstrekt. Gelet op het feit dat 8 maart 2013 op een vrijdag viel, hier een weekend op volgde, waardoor het pas op 14 maart 2013 aan mr. Van Rossum ter hand is gesteld moet het hof tot het oordeel komen dat het op 15 maart 2013 bij de griffie binnengekomen beroepschrift als voldoende snel is ingediend, zodat er hier sprake kan zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroepschrift is hiermee tijdig ingediend.
3. Beoordeling
3.1. Het hof stelt voorop dat, gelet op het bepaalde in artikel 15 lid 3 Fw Pro, tegen een beslissing als de onderhavige geen hoger beroep kan worden ingesteld.Dit is slechts anders indien de rechter buiten het toepassingsbereik van artikel 15 lid 3 Fw Pro is getreden of dit artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel indien bij de totstandkoming van de beschik- king een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Daartoe behoort met name veronachtzaming van het beginsel van hoor en wederhoor.
3.2. [appellant] heeft onder meer gesteld dat de rechter ten onrechte fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd. Hij is hiermee ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.
3.3. In het systeem en de geschiedenis van de Faillissementswet valt voor een verplichting de gefailleerde met betrekking tot de vaststelling van het salaris van de curator te horen, evenwel geen steun te vinden (HR 19 januari 1990; LJN: AD1009). Het is immers de rechtbank op voet van artikel 71 Fw Pro die het salaris vaststelt. Dat brengt met zich mee dat de rechtbank ook in het onderhavige geval niet gehouden was [appellant] te horen over de hoogte van het curatorsalaris. Voorts staat vast dat mr. Van Rossum namens [appellant] ter zitting in eerste aanleg van 13 februari 2013 is verschenen. Daar heeft mr. Van Rossum uitvoerig het woord gevoerd. Bij die gelegenheid heeft mr. Van Rossum zich ook over de proceskostenveroordeling op zich kunnen uitlaten. Nu mr. Van Rossum dit laatste heeft nagelaten bestaat in zoverre, in samenhang met het hiervoor gestelde over het curatorsalaris, dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de rechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft veronachtzaamd.
3.4. Gelet op het voorgaande is in deze procedure geen zo fundamenteel rechtsbeginsel geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. Het door [appellant] ingestelde hoger beroep dient derhalve te worden verworpen.
4. Beslissing
Het hof:
verwerpt het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs W.J. Noordhuizen, C. Uriot en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.