ECLI:NL:GHAMS:2013:CA0589

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/00972
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 8:75 AwbWet inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aftrek negatief loon en kosten kandidatuur Provinciale Staten

Belanghebbende voerde in zijn aangifte inkomstenbelasting 2007 een bedrag van €7.344 als negatief loon op, gebaseerd op vermeende terugbetalingen aan het UWV, en €1.215 aan kosten voor zijn kandidatuur voor de Provinciale Staten. De inspecteur corrigeerde deze posten en legde een aanslag op een belastbaar inkomen van €51.078.

De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij betalingen aan het UWV had gedaan die als negatief loon in aanmerking konden worden genomen. Ook werden de kosten van de politieke campagne niet als aftrekbaar erkend, omdat de kandidatuur niet had geleid tot een bron van inkomen.

Het hof bevestigde deze beoordeling. Het oordeelde dat belanghebbende geen enkel bewijs had geleverd voor de terugbetalingen aan het UWV in 2007 en dat de campagnekosten niet konden worden toegerekend aan een bron van inkomen, aangezien belanghebbende niet was gekozen en op een onverkiesbare plaats stond.

De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat geen negatief loon of aftrekbare kosten kunnen worden aangenomen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Kenmerk 11/00972
18 april 2013
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Y], belanghebbende,
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/779 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht,
de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 22 mei 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd berekend tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.007.
1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 11 december 2010, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.078.
1.3. De inspecteur heeft op 25 januari 2011 een brief van belanghebbende ontvangen en heeft deze brief doorgezonden aan de rechtbank op grond van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
1.3. Bij uitspraak van 10 november 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 22 december 2011 en aangevuld bij brief van 25 januari 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Op 26 februari 2013 is van belanghebbende een nader stuk ontvangen dat in afschrift naar de inspecteur is gezonden.
1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“2.1. Eiser was in 2007 kandidaat voor de PvdA voor de Provinciale Staten verkiezingen gehouden op 7 maart 2007.
Eiser heeft in de jaren 2007, 2008 en 2009 geen inkomsten als lid van de Provinciale Staten genoten.
2.2. Verweerder heeft van eiser een aangifte IB/PVV 2007 ontvangen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.086. In deze aangifte heeft eiser onder meer een bedrag van € 6.706, betreffende een restitutie aan het UWV, als negatief inkomen opgegeven. Voorts heeft eiser € 1.215 als negatief resultaat uit overige werk[z]aamheden vermeld. Dit bedrag betreft de kosten gemaakt in verband met campagne- en/of politieke activiteiten ten behoeve van (de verkiezingen voor) de Provinciale Staten.
2.3. Verweerder heeft met dagtekening 11 juli 2008 aan eiser conform de ingediende aangifte een voorlopige teruggaaf IB/PVV 2007 verleend.
2.4. Bij de aanslagregeling heeft verweerder het vermelde negatieve inkomen van € 6.706 alsmede het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden geheel gecorrigeerd.
2.5. In de bezwaarfase heeft verweerder het loon verlaagd naar € 52.674, hetgeen na toepassing van de aftrek levensonderhoud kinderen ten bedrage van € 1.596 resulteerde in een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.078.
2.6. Tot de dossierstukken behoort een overzicht van de Fiscale Loon Gegevens (Fibase) van eiser over het jaar 2007. Deze Fibase-gegevens zijn afkomstig uit de bestanden van verweerder, welke gegevens door de inhoudingsplichtigen van eiser zijn aangeleverd.
Hierin staat het volgende vermeld:
ABP Pensioen 600 -/-
UWV 24.884
UWV 17.031
Jeugdzorg 11.359”
2.1.2. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.
3. Geschil in hoger beroep
3.1. Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of belanghebbende in zijn aangifte terecht
1. € 7.344 als negatief loon, en
2. € 1.215 als kosten ter zake van zijn kandidatuur voor de Provinciale Staten,
heeft opgevoerd.
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.
4. Beoordeling van het geschil
Negatief loon
4.1.1. Met betrekking tot het eerste geschilpunt heeft de rechtbank overwogen:
“4.1. De rechtbank overweegt dat eiser geen enkel stuk heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat en voor welke bedragen hij in 2007 betalingen aan het UWV heeft gedaan. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat in dat jaar negatief loon vanwege terugbetalingen aan het UWV in aanmerking moet worden genomen.
Ten aanzien van de terugbetalingen die wel uit de stukken kunnen worden afgeleid en eventueel in 2007 als negatief loon in aanmerking kunnen worden genomen, te weten het door eiser terugbetaalde bedrag van € 800,11, waarvan kennelijk in het jaar 2007 een gedeelte, groot € 600 is terugbetaald, geldt dat het ABP een jaaropgaaf 2007 met een negatief loonbestanddeel voor een bedrag van € 600 aan de Belastingdienst heeft verstrekt, zodat met die betaling in de IB/PVV 2007 al rekening is gehouden. Indien en voor zover er overigens bedragen aan het UWV zijn terugbetaald, hebben die betalingen niet in 2007 plaatsgevonden en kunnen die derhalve niet in 2007 als negatief loon in aanmerking worden genomen.”
4.1.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden terecht beslist heeft dat belanghebbende geen enkel bedrag als negatief loon in aanmerking kan nemen. Het Hof vult de eerste alinea van bovenstaande rechtsoverweging aldus aan dat belanghebbende niet alleen met geen document, maar ook niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2007 betalingen aan het UWV heeft gedaan.
Kosten kandidatuur Provinciale Staten
4.2.1. Met betrekking tot het tweede geschilpunt heeft de rechtbank overwogen:
“4.2. Eiser heeft kosten in aftrek gebracht voor het voeren van een campagne in verband met zijn kandidaatstelling als lid van de Provinciale Staten. Voor de vraag of recht bestaat op kostenaftrek, is bepalend of deze kosten kunnen worden toegerekend aan een bron van inkomen. Nu voor eiser de verkiezingscampagne niet tot een verkiezing als lid van de Provinciale Staten heeft geleid, betekent dit dat de met de campagne gemoeide kosten voor eiser niet hebben geleid tot een bron van inkomen. Reeds op die grond zijn deze kosten van aftrek uitgesloten.”
4.2.2. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. Van een bron van inkomen kan eerst sprake zijn indien met de activiteit - in casu de werkzaamheden die gericht waren op het gekozen worden tot lid van de Provinciale Staten van Utrecht - voordeel werd beoogd en redelijkerwijs te verwachten viel.
Vaststaat dat belanghebbende in 2007 op de 20ste plaats stond van de kandidatenlijst van zijn partij, dat zijn partij in 2007 8 van de 47 zetels heeft behaald en dat belanghebbendes activiteiten niet tot het gewenste doel en derhalve ook niet tot inkomsten hebben geleid. De inspecteur heeft voorts onbetwist gesteld dat het gelet op de naar het Hof begrijpt in 2007 bestaande politieke verhoudingen niet denkbaar was dat belanghebbende verkozen zou worden en dat hij op een onverkiesbare plaats stond.
Belanghebbende heeft niet gesteld dat de kosten (ook) aan een andere bron kunnen worden toegerekend.
Op basis van vorenoverwogene komt het Hof met de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een bron van inkomen en dat reeds op die grond de litigieuze kosten niet in aftrek kunnen worden gebracht.
Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6. Kosten
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. P. F. Goes, voorzitter, M.J. Leijdekker en E. van Waaijen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 18 april 2013 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.