Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 80.000.
BehandelopdrachtSoort: BOEKENONDERZOEK
Periode van: 01-01-2009 t/m 31-12-2009
(…)
Behandelproces
Datum uitgifte: 16-12-2010
Afgedaan: 07-07-2011”
Entiteit: (…) [A B.V.]
(…)
Geldt voor (…) [belanghebbende]
(…)
Opleveren aan:
(…) [B]
i.v.m. a-select post 2011
Eigenschappen voor Docum…
(…)
Gemaakt: maandag 10 januari 2011”
Aankondiging boekenonderzoek
Opvraag auditfile
(…)
Conform ons telefonisch onderhoud van 10 januari 2011 deel ik u mee dat ik van plan ben om een boekenonderzoek bij [belanghebbende] (…) in te stellen. Ter voorbereiding op mijn boekenonderzoek verzoek ik u mij de administratie over het boekjaar 2009 digitaal (…) te doen toekomen.(…) Nadat ik de administratie(s) heb ontvangen en beoordeeld, zal ik contact met u opnemen voor het maken van een afspraak voor het boekenonderzoek.
Het doel van het onderzoek is de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting 2009 en de aangiften omzetbelasting en loonheffing over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009.”
€ 80.000 – van € 16.000.
(…)
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat hetgeen is bepaald in artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c AWR aan zijn stellingen niet afdoet.
Voor zover al sprake zou zijn van een ambtelijk verzuim, heeft te gelden dat de beslissing een aanslag op te leggen een fout was die voortkwam uit de wijze van werken van de Belastingdienst ten aanzien van ambtshalve aanslagen. Een dergelijke fout kan op de voet van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, AWR door middel van een navorderingsaanslag worden hersteld.
(…)
c. ten gevolge van een fout (…) een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.”
Stb. 2009, 610), is over artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, AWR onder meer het volgende opgemerkt:
– zoals de inspecteur heeft gesteld – onvermijdelijke grofheid ervan komt (in het onderhavige geval) ook tot uiting in de omstandigheid dat belanghebbende voor controle is geselecteerd in de veronderstelde aanwezigheid van een aangifte, terwijl aangiften bij het opleggen van ambtshalve aanslagen meestal – zo al niet altijd – zullen ontbreken. In dat opzicht ligt het niet voor de hand dat de functionaris die de aanslag oplegde, gelet ook op de wijze waarop diens werkzaamheden zijn georganiseerd (naar het Hof begrijpt: gericht op het in betrekkelijk korte tijd verwerken van een meer massale werkstroom) daarbij bedacht zou zijn op de aanwezigheid van een aangifte en de selectie van die aangifte voor onderzoek.