Uitspraak
1.[Appellant sub 1]
mr. H.C.M.J. Karskenste Amsterdam,
mr. C.W.M. Neefjeste Purmerend.
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grief 2 in principaal hoger beroepkeren[Appellant sub 1] zich tegen deze overweging en daaruit voortvloeiende veroordeling om hun respectieve aandelen in de eigendom van de woonark te verkopen en te leveren aan[Geïntimeerde].
grief 2 in incidenteel appelen de in zoverre in hoger beroep gewijzigde vordering, heeft[Geïntimeerde] aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste redenering volgt, met onjuiste conclusies. Hij heeft daartoe betoogd dat de compensatie in geld voor een ‘overbedeling’ van 6,3 vierkante meter slechts de helft van de waarde daarvan dient te zijn om het verschil op te heffen. Bovendien heeft de rechtbank volgens[Geïntimeerde] miskend dat [Appellant sub 1] al in 1996 is gecompenseerd voor het toenmalige verschil in oppervlakte, door de betaling van NLG 10.000,= voor een verschil van 18,96 vierkante meter ten voordele van[Geïntimeerde]. Het oppervlakteverschil ten voordele van[Geïntimeerde] is door de herindeling in 2005 teruggelopen van 18,96 vierkante meter tot 6,3 vierkante meter, zodat niet hij maar[Appellant sub 1] compensatie dienen te voldoen en wel een bedrag ter hoogte van € 13.062,15.
grief 3 in incidenteel hoger beroepheeft[Geïntimeerde] zijn desbetreffende vordering nader onderbouwd. De vordering betreft de periode van augustus 1996 tot en met augustus 2007.[Geïntimeerde] stelt dat de verjaring van de vordering is gestuit door middel van een e-mail met bijlagen van 16 augustus 2006.