Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[GEÏNTIMEERDE SUB 1],
[GEÏNTIMEERDE SUB 2],
[GEÏNTIMEERDE SUB 3],
[GEÏNTIMEERDE SUB 4],
[GEÏNTIMEERDE SUB 5],
[GEÏNTIMEERDE SUB 6],
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat de verdeling van een nalatenschap centraal waarbij meerdere deelgenoten betrokken zijn. Appellant is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland dat de wijze van verdeling heeft vastgesteld. Naast de wederpartij in eerste aanleg richt het hoger beroep zich ook tegen medegedaagden, wat aanleiding geeft tot de vraag of appellant ontvankelijk is ten aanzien van deze medegedaagden.
Het hof overweegt dat tussen partijen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, hetgeen inhoudt dat de beslissing ten aanzien van alle betrokkenen hetzelfde moet zijn. Volgens vaste jurisprudentie en artikel 332 Rv Pro kan hoger beroep echter slechts worden ingesteld tegen de processuele wederpartij in eerste aanleg. Dit leidt tot de conclusie dat appellant niet ontvankelijk is in hoger beroep tegen medegedaagden.
Appellant heeft verzocht om medegedaagden op te roepen op grond van artikel 118 Rv Pro, maar dit verzoek is door het hof afgewezen. Het hof wijst erop dat medegedaagden zich desgewenst kunnen voegen of tussenkomen in de procedure. Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk ten aanzien van medegedaagden en verwijst de zaak naar de rol voor het nemen van een memorie van grieven.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen medegedaagden sub 2 tot en met 6.