Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
4.Beslissing
op een nader door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en uur;
Gerechtshof Amsterdam
Appellant heeft twee effectenleaseovereenkomsten gesloten met Dexia. De echtgenote van appellant heeft deze overeenkomsten vernietigd met een beroep op artikel 1:89 BW Pro. Dexia stelde dat het vernietigingsrecht was verjaard omdat de echtgenote al meer dan drie jaar voor de vernietiging op de hoogte was van de overeenkomsten.
De kantonrechter oordeelde dat de vernietigingsbevoegdheid was verjaard en wees het beroep van appellant af. In hoger beroep betoogt appellant dat voor het aanvang van de verjaring vereist is dat de echtgenote daadwerkelijk bekend was met de inhoud van de overeenkomsten, hetgeen volgens hem niet het geval was.
Het hof stelt dat bekendheid met de juridische kwalificatie niet vereist is, maar dat de echtgenote wel bekend moet zijn met het bestaan van de overeenkomsten. Het hof bevestigt dat de kennisname van het oudste bankafschrift waarop betalingen aan Dexia staan vermeld, als aanvang van de verjaring kan gelden. Dexia heeft voldoende gesteld en bewezen dat de echtgenote op dat moment op de hoogte was.
Toch staat het hof appellant toe om tegenbewijs te leveren, onder andere door getuigenverhoor, over het moment waarop de echtgenote kennis nam van de overeenkomsten. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing en verwezen naar een rolzitting voor planning van het bewijs.
Uitkomst: Het hof staat appellant toe tegenbewijs te leveren tegen het voorshands vastgestelde feit dat de echtgenote meer dan drie jaar voor vernietiging op de hoogte was van de leaseovereenkomsten.