Uitspraak
DE PRINCIPAAL B.V.,
1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE PRINCIPAAL B.V.,
WOONSTICHTING LIEVEN DE KEY,
1.De gedingen in hoger beroep
2.Feiten
grief 1dat de rechtbank respectievelijk de kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met enkele essentiële stellingen. Het hof zal met alle stellingen van [appellant] rekening houden, maar oordeelt dat de rechtbank en de kantonrechter niet waren gehouden alle vaststaande feiten te vermelden. Omdat [appellant] niet heeft gesteld dat de door de rechtbank en de kantonrechter vastgestelde feiten geheel of gedeeltelijk onjuist zijn, dienen die feiten ook het hof als uitgangspunt.
3.Beoordeling
grief 2komt [appellant] op tegen het tussenvonnis van 8 augustus 2012. Hij betoogt dat artikel 71 lid 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) weliswaar bepaalt dat tegen een beslissing als de onderhavige geen hogere voorziening openstaat, maar hij ten onrechte in de kosten van het incident is verwezen, omdat zijn incidentele vordering gegrond was en de rechtbank de zaak naar de sector kanton had moeten verwijzen.
grieven 3 tot en met 6kunnen gezamenlijk worden besproken. Zij strekken, kort gezegd, ten betoge dat - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - [appellant] [het pand 2] niet zonder recht of titel gebruikt omdat deze ruimte deel uitmaakt van [het pand] en derhalve door [appellant] wordt gehuurd.
, waarvan ik aandeelhouder was. In augustus 1988 is een huurovereenkomst gesloten met [appellant](lees hier en in de citaten hierna telkens: [appellant]; hof)
en [X] voor het huren van de [adres], waarbij het ging om de ruimte op 1-hoog en de ruimte op de begane grond. (…) De ruimte op 1-hoog is altijd door [appellant] bewoond en ik ben daar zelf ook regelmatig geweest. De ruimte op de begane grond is altijd gebruikt als atelier of galerie en daar was ik mee bekend en dat was ook in overeenstemming met de gemaakte afspraken.”
heb ik in juni 2012 een verklaring afgegeven over het pand aan de [adres], ook bekend als Tabakspand. In die verklaring heb ik al aangegeven dat er in 1988 een huurovereenkomst is afgesloten, waarbij het ging om de ruimte op 1-hoog en de ruimte op de begane grond. Dat was voor alle partijen duidelijk en bekend, ook al wordt in de huurovereenkomst alleen gesproken over de ruimte op 1-hoog. In 1988 was er voor beide ruimten maar één ingang en was de ruimte op de begane grond niet meer dan een opslag. De betaling via schilderijen zag dan ook op het gebruik van beide ruimten (…) Er is ook een extra ingang gemaakt om de ruimte op de begane grond beter te kunnen betreden. Omdat dit voor partijen duidelijk was, is dat verder niet op papier gezet, maar de ruimte op de begane grond is altijd onderdeel geweest van de huur en de daarvoor overeengekomen betaling. Het hoorde er gewoon bij”.
grief 8, die is gericht tegen de bij het bestreden eindvonnis uitgesproken kostenveroordeling, doel treft. De Principaal dient immers (in de hoofdzaak) als de in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt en in de desbetreffende kosten, voor zover op [appellant] betrekking hebbend, te worden verwezen. Het hof zal dat daarom alsnog doen.
grief 7.
grieven 3 tot en met 5 en met grief 7komt [appellant] op tegen de toewijzing van de vorderingen van De Principaal c.s. en het daaraan ten grondslag gelegde oordeel van de kantonrechter dat De Principaal c.s. het gehuurde zo dringend nodig hebben voor eigen gebruik dat van hen, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst voortduurt, als-mede, dat is gebleken dat [appellant] passende andere woonruimte kan verkrijgen (art. 7:274 lid 1 aanhef Pro en sub c BW). De grieven kunnen gezamenlijk worden besproken.
alleAmsterdamse corporaties. Tegen die achtergrond had het op de weg van [appellant] gelegen duidelijk te maken dat er niettemin geen passende woonruimte voor hem beschikbaar is, ook als daarbij in aanmerking wordt genomen dat hij in het door hem gehuurde ook zijn atelier heeft en dus behoefte heeft aan een grotere woning dan zonder die omstandigheid het geval zou zijn geweest. Niet van belang echter acht het hof in dit verband dat [appellant] in het gehuurde ook een “Cash & Carry Galerie” uitoefent. Vaststaat immers dat de huurovereenkomst betrekking heeft op
woonruimte. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de uitoefening van een galerie in het gehuurde destijds is overeengekomen of voorzien. Dit betekent dat onjuist is de stelling van [appellant] dat woonruimte alleen passend is, indien deze in het centrum van Amsterdam is gelegen, een stelling die is gebaseerd op de omstandigheid dat de galerie in het centrum is gevestigd. Het hof ziet, voorts, wel in dat een hogere huurprijs dan ƒ 1.400,= (€ 635,29), en ook nog zonder de mogelijkheid in schilderijen te betalen, onvermijdelijk zal zijn, maar kan daaraan niet het oordeel verbinden dat er geen andere passende woonruimte voor [appellant] beschikbaar is.
grief 8, die daartegen opkomt, faalt dus.