Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
mr. H.J.M. van Schie, te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,
mr. T.R.B. de Greve, te Amsterdam.
1.Verder verloop van het geding
2.Vooraf
De rechtbank Haarlem heeft in deze kwestie op 28 januari 2009 een tussenvonnis en op 21 december 2011 eindvonnis gewezen. De rechtbank heeft de Luchthaven niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen in de artikel 55-procedure.
Beide partijen hebben van deze vonnissen beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft Chipshol bij arrest van 22 februari 2013 gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde cassatieberoep en dat beroep voor het overige verworpen. De Hoge Raad heeft in datzelfde arrest de Luchthaven in haar beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof zal hieronder onder ogen zien of dat gevolgen moet meebrengen en zo ja welke.
3.Verdere beoordeling
- het hof zal verder niet bespreken hetgeen Chipshol ten grondslag heeft gelegd aan haar vermeerdering van eis bij gelegenheid van de na verwijzing gehouden pleidooien;
- de vergoedingsplicht van de Luchthaven komt niet voor vermindering in aanmerking wegens eigen schuld van Chipshol in verband met het niet indienen van een nieuwe bouwaanvraag;
- de Luchthaven krijgt de gelegenheid om getuigen te doen horen aangaande haar stelling dat de door Chipshol gestelde schade al (gedeeltelijk) is vergoed als gevolg van de schikkingen die Chipshol met de provincie Noord-Holland en de gemeente Haarlemmermeer heeft getroffen.
Wat betreft de vorderingen van de Luchthaven op andere grondslagen is Chipshol in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de Hoge Raad nog opgemerkt dat het de Luchthaven in de artikel 50-procedure vrijstaat om zich als verweer tegen (de omvang van) de door Chipshol daarin gevorderde schadeloosstelling mede te beroepen op hetgeen zij in de artikel 55- procedure in verband met deze overige grondslagen heeft aangevoerd.
Dat betekent dat het hof in dit geding niet alleen heeft te onderzoeken (binnen de in het tussenarrest van 27 december 2011 getrokken grenzen) de waardevermindering als gevolg van het bouwverbod van 19 februari 2003, maar ook heeft te onderzoeken of de opheffing van het bouwverbod op 28 juni 2007 waardevermeerdering van het Groenenbergterrein tot gevolg heeft gehad, en zo ja wat de omvang van die waardevermeerdering is geweest.
Het deskundigenrapport aan de hand waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dateert van 5 juli 2006. Voorafgaand aan dit rapport is op 31 januari 2006 een ontwerprapport uitgebracht.
De taxatie van de deskundigen is, zo vermelden zij in hun rapport, in de eerste plaats gebaseerd op de overwegingen die zij in het rapport tot uitdrukking hebben gebracht, zowel blijkend uit de tekst van de overwegingen als op de schadeberekeningen. Zij hebben bij hun taxatie van de mogelijke opbrengsten van de betrokken percelen hoofdzakelijk de methode van de residuele waardebepaling en de vergelijkingsmethode gehanteerd. De residuele grondwaarde wordt berekend door de waarde van de onroerende zaak na realisatie van het bouwplan te verminderen met de totale bouwkosten, inclusief bijkomende kosten, rente, winst en risico-opslag.
Bovendien adviseren de deskundigen om aan Chipshol over het (afgeronde) totaalbedrag groot € 17.350.000,- rente toe te kennen, te weten 4,5% enkelvoudige interest per jaar vanaf 19 februari 2003 tot de datum van het vonnis waarbij de Luchthaven tot betaling van dat bedrag wordt veroordeeld.
De deskundigen hebben voor het overige geen toereikende grond gevonden om waardevermindering van de betrokken grond te aanvaarden, met dien verstande dat zij hun advies over de belastingschade van Chipshol hebben uitgesteld. Vermeldenswaard is in dit verband nog dat de deskundigen tot het oordeel zijn gekomen dat het commerciële resultaat van ontwikkeling op basis van door Chipshol ingediende bouwplannen niet op een hoger bedrag uitkomt dan het resultaat dat op basis van verkoop van de betrokken percelen tegen marktprijzen voor bouwrijpe bouwgrond kan worden verkregen alsmede dat Chipshol geen beleggingswinst derft.
Vervolgens heeft de rechtbank de kritiek van Chipshol en de Luchthaven op de bevindingen van de deskundigen beoordeeld. Dat heeft de rechtbank ertoe gebracht om het advies van de deskundigen op drie onderdelen niet of niet volledig te volgen, t.w.:
- de onvoorziene kosten zijn op € 500.000,- en dus lager begroot,
- aangenomen is dat de marktwaarde van de grond door de kans dat een bouwverbod zou worden opgelegd per peildatum 10% lager was dan wanneer die kans in het geheel niet had bestaan of voor verwaarloosbaar gering kon worden gehouden, en
- de Luchthaven is vanaf 21 maart 2003 wettelijke rente over de schadeloosstelling verschuldigd.
Dat alles heeft de rechtbank ertoe gebracht om de aan Chipshol ingevolge artikel 50 Luchtvaartwet Pro toekomende schadeloosstelling te begroten op ten minste € 16.000.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2003.
achterwege gelaten, omdat Chipshol naar haar oordeel op dit punt niet aan haar stelplicht had voldaan.
Het hof dient zich dan ook in dit geding na verwijzing te laten leiden door de bevindingen van de deskundigen in hun rapport van 5 juli 2006 voor zover dit door de rechtbank is aanvaard.
Dat betekent in het bijzonder dat thans uitgangspunt is dat op de peildatum, 19 februari 2003, de percelen die door de bouwstop zijn getroffen na de bouwstop € 2,5 mio waard waren. Dat betekent bovendien dat het hof zich heeft te laten leiden door de kerngegevens en waarderingssystematiek waarvan de deskundigen zich hebben bediend en die aan de waardering ten grondslag liggen.
Voorts stelt het hof voorop dat Chipshol op grond van het bepaalde in de artikelen 50 en 55 Luchtvaartwet aan waardevermeerdering van de betrokken percelen niet meer aan de Luchthaven behoeft terug te betalen dan haar aan schadeloosstelling is toegekend.
Die visie heeft ing. de Lorijn in zijn brief van 22 augustus 2007 aan de advocaat van de Luchthaven gehandhaafd. Hij heeft daaraan in die brief toegevoegd dat bij de genoemde waarde van € 15.500.000,- rekening is gehouden met de werking van het LIB. Zou de zogenaamde paraplubestemming voortvloeiende uit het LIB worden weggedacht, dan begroot ing. de Lorijn deze waarde 15% hoger op € 17.825.000,-.
€ 25.300.000,-.
. € 14.100.000,- k.k. is de marktwaarde van het betrokken terrein bij het plan Chipshol (vrij van overdrachtsbelasting),
. € 18.400.000,- k.k. is de marktwaarde van het betrokken terrein bij het plan ‘nieuw’ (ontwerp)bestemmingsplan met een bouwhoogte van 6-10 meter (vrij van overdrachtsbelasting),
. € 19.500.000,- k.k. is de marktwaarde van het betrokken terrein bij het plan ‘nieuw’ (ontwerp)bestemmingsplan met een bouwhoogte van 14 meter (vrij van overdrachtsbelasting).
. € 13.800.000,- k.k. is de marktwaarde bij het oorspronkelijke bouwplan conform bouwvergunning,
. € 18.250.000,- k.k. is de marktwaarde op basis van een nieuw ontwerp bestemmingsplan met een bouwhoogte van 6-10 meter,
. € 19.400.000,- k.k. is de marktwaarde op basis van een nieuw ontwerp bestemmingsplan met een bouwhoogte van 14 meter.
Ook wil zij bij die gelegenheid aan de rapportage van Troostwijk Taxaties en de daarin getaxeerde residuele grondwaarde steun voor haar standpunt ontlenen, waarbij zij er nog melding van maakt dat er twee verschillende versies van de rapportage van Troostwijk bestaan.
Voorts heeft Chipshol zich beroepen op een intentieovereenkomst die zij op 27 juni 2008 sloot met ProLogis. Die partij zou zich bereid hebben getoond om ongeveer € 40 mio te betalen voor het Groenenbergterrein. Omdat de vrijstellingen en ontheffingen uitbleven en de kredietcrisis zich aandiende, is deze transactie uiteindelijk, na een due-diligence onderzoek door ProLogis, niet doorgegaan, aldus Chipshol.
Meer specifiek overweegt het hof daarover nog als volgt.
Het komt het hof voor dat het teneinde die waarde te achterhalen het meest doeltreffend is om een open vraag aan de te benoemen deskundigen voor te leggen, gelijk de rechtbank deed in haar vonnis van 30 maart 2005. De vraag luidt: wilt u, uitgaande van de in het rapport van 5 juli 2006 gevonden waarde van € 2,5 mio en de in dat rapport gehanteerde kerngegevens en begrotingssystematiek, begroten met welk bedrag op 28 juni 2007 de waarde in het economisch verkeer van de betrokken gronden is vermeerderd als gevolg van de opheffing van het bouwverbod.
Hetgeen een gegadigde op 28 juni 2007 voor ogen zou hebben gestaan wat betreft het planologisch perspectief, hebben de deskundigen geobjectiveerd te benaderen. Zij dienen dus uit te gaan van hetgeen een redelijk handelende koper op 28 juni 2007 dienaangaande zou verwachten. Voor een subjectieve benadering is geen plaats; dat betekent dat de deskundigen aan de teleurstellende ervaringen van Chipshol tot dan toe niet zonder meer betekenis behoeven toe te kennen.
Partijen mogen nieuwe deskundigen voorstellen (en hoeven daarmee niet te wachten, totdat het hof kennis heeft kunnen nemen van de gedingstukken van de artikel 55-procedure). Zouden partijen over het nieuwe team van deskundigen geen overeenstemming kunnen bereiken, dan kiest het hof. Zouden partijen de voorkeur geven aan een of twee deskundigen uit het buitenland, dan heeft het hof daartegen geen bezwaar, mits gewaarborgd is dat deze deskundigen over voldoende kennis beschikken van de Nederlandse planologische regelgeving en dat de rapportage in het Nederlands wordt uitgebracht.
Zouden de deskundigen voldoende zijn geïnformeerd en geëquipeerd om ook de omvang van de belastingschade in hun rapportage te betrekken, dan staat hun dat vrij.
4.Beslissing
- voor een akte aan de zijde van de Luchthaven met het hierboven in rechtsoverweging 3.5.2 omschreven doel, alsmede
- voor een akte aan de zijde van Chipshol met de hiervoor in rechtsoverweging 3.6.9 omschreven doeleinden;