Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
mr. E.A.A. Charryte[vestigingsplaats].
Gerechtshof Amsterdam
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling door de rechtbank Amsterdam. Zij stelde dat zij niet te verwijten viel dat zij een schuld van € 20.594,- had opgebouwd bij de belastingdienst vanwege teveel ontvangen kinderopvangtoeslag over 2008 en 2010. Volgens haar was sprake van fraude door een onbetrouwbaar gastouderbureau dat met haar machtiging het rekeningnummer wijzigde waarop de toeslag werd gestort.
Het hof oordeelde dat verzoekster onvoldoende bewijs had geleverd om haar goeder trouw aannemelijk te maken. Zij had nagelaten relevante correspondentie en bewijsstukken te overleggen die haar verhaal konden ondersteunen. Bovendien had zij niet aangetoond dat zij alles had gedaan om de situatie te herstellen of maatregelen te nemen nadat zij op de vermeende fraude was gewezen.
Het hof wees ook een beroep op artikel 288, derde lid, Faillissementswet af, omdat niet was gebleken dat verzoekster haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling voldoende zou kunnen nakomen. Gezien de combinatie van schulden en haar huidige zorgsituatie achtte het hof toelating niet op zijn plaats.
Het arrest bevestigt het vonnis van de rechtbank en geeft verzoekster de mogelijkheid om in de toekomst, indien zij haar situatie beter kan onderbouwen, opnieuw een verzoek in te dienen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende aannemelijkheid van goeder trouw.