Belanghebbende genoot sinds 1995 het woongenot van een woning die eigendom was van haar zoon zonder daarvoor vergoeding te betalen. De inspecteur legde aanslagen op voor recht van schenking over 1995 en 2007. De rechtbank vernietigde de aanslag 2007 en verminderde de aanslag 1995.
In hoger beroep stond centraal of het woongenot in 1995 een schenking vormde. Het hof stelde vast dat de zoon de woning kocht in 1991 en in 1993 naar het buitenland verhuisde, waarna belanghebbende en haar echtgenoot in de woning bleven wonen zonder huur te betalen. De zoon kon het woongenot op elk moment opeisen.
Het hof oordeelde dat geen sprake was van verarming van de zoon, omdat hij het woongenot direct kon opeisen en geen huur misliep die tot zijn vermogen behoorde. Ook was er geen schenking van vruchtgebruik in 1995. De inspecteur's stelling van een bruikleenovereenkomst was niet doorslaggevend. Het hof vernietigde de aanslag 1995 en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten.