Uitspraak
mr. M.K. van den Berge, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
[belanghebbende sub 2],
mr. G.C.G. Metz,kantoorhoudende te ’s-Gravenhage.
- verzoekster met B2B,
- verweerster met Fonk,
- belanghebbende sub 1 met Scheef,
- belanghebbende sub 2 met [belanghebbende sub 2],
- belanghebbenden tezamen met Scheef c.s.
2 De feiten
party managervoor het seizoen 2014.
“vordering van Scheef Beheer bv (…) tot uittreding B2B in Fonk”.
3.De gronden van de beslissing
cashflow. De stelling van [belanghebbende sub 2] dat pas na opbouw van het paviljoen en het genereren van de eerste inkomsten van het seizoen ruimte aanwezig is voor uitkering van een managementvergoeding, is onvoldoende gemotiveerd betwist. De Ondernemingskamer acht het niet (tijdig) uitkeren van een managementvergoeding in de eerste maanden van het strandseizoen dan ook geen gegronde reden om te twijfelen aan het door Fonk gevoerde beleid. De omstandigheid dat de meest substantiële uitkering eerst na het aanhangig maken van de enquêteprocedure heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders.