Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[geïntimeerde sub 3],
Gerechtshof Amsterdam
Stadsgoed, eigenaar van een bedrijfsruimte in Amsterdam, vorderde in hoger beroep de beëindiging van de huurovereenkomst met Heineken c.s. en ontruiming van het gehuurde, primair op grond van dringend eigen gebruik en subsidiair op basis van een belangenafweging. De bedrijfsruimte werd door [geïntimeerde sub 3] als coffeeshop geëxploiteerd, wiens vergunning niet werd verlengd vanwege gemeentelijk beleid.
Stadsgoed stelde dat het gehuurde dringend nodig was voor eigen gebruik om de leefbaarheid in de buurt te verbeteren en criminaliteit terug te dringen. De kantonrechter wees de vordering af en het hof volgde dit oordeel. Het hof oordeelde dat het ontbreken van concrete plannen voor een nieuwe huurder het dringend eigen gebruik onvoldoende aannemelijk maakte. Ook bij de belangenafweging woog het belang van de huurders, waaronder de persoonlijke en financiële belangen van [geïntimeerde sub 3], zwaarder dan dat van Stadsgoed.
Het hof nam mee dat de exploitatie van de coffeeshop geen aanleiding gaf tot klachten en dat [geïntimeerde sub 3] bereid was haar bedrijfsvoering aan te passen en samen te werken met Stadsgoed. De vorderingen van Stadsgoed werden daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd. Stadsgoed werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst af.