ECLI:NL:GHAMS:2014:5217
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Staat niet aansprakelijk voor schade door vernietiging hennepplantage ondanks vrijspraak appellant
De zaak betreft een geschil tussen appellant, die in 1996 een hennepplantage exploiteerde, en de Staat. Tijdens een gerechtelijk vooronderzoek werd de plantage doorzocht en de hennepplanten in beslag genomen en vernietigd. Appellant werd strafrechtelijk vervolgd, maar primair vrijgesproken omdat de hennep bestemd was voor zaadwinning. Subsidiair werd hij eveneens vrijgesproken.
Appellant vorderde vervolgens schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige overheidshandeling. De rechtbank wees deze vordering af, maar het hof ’s-Gravenhage oordeelde aanvankelijk dat appellant als onschuldige derde aanspraak kon maken op vergoeding, omdat hij ten tijde van de vernietiging nog geen verdachte was.
De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug, stellende dat appellant als gewezen verdachte moet worden beoordeeld volgens het Begaclaim-criterium. Het hof bevestigt nu dat de Staat niet aansprakelijk is omdat het strafvorderlijk optreden gerechtvaardigd was door een redelijk vermoeden van schuld en appellant niet onschuldig is gebleken. De vernietiging was niet disproportioneel en de onschuldpresumptie staat niet in de weg aan deze civiele beoordeling.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De Staat is niet aansprakelijk voor de door appellant geleden schade door vernietiging van de hennepplantage.