Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
grief 1faalt.
grief 2tevergeefs is voorgesteld.
Gerechtshof Amsterdam
De appellant was sinds 3 juli 2007 in dienst van Succes of diens rechtsvoorganger. Succes sprak het dienstverband op 9 september 2011 op, met ingang van 7 oktober 2011, tenzij het ontslag op staande voet van 29 juli 2011 rechtsgeldig was. De appellant stelde het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig te achten en startte een kort geding op 3 april 2012 om loondoorbetaling af te dwingen. Deze voorlopige voorziening werd op 18 april 2012 afgewezen.
In eerste aanleg vorderde appellant een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelde dat de vordering verjaard was omdat de verjaringstermijn van zes maanden op 8 oktober 2011 was begonnen en niet was gestuit. Het kort geding op basis van een nietig ontslag was volgens de kantonrechter geen geldige stuiting.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de kort gedingprocedure wel de verjaring had gestuit omdat Succes er rekening mee moest houden dat hij zich tegen een toekomstige vordering zou verweren. Het hof oordeelde echter dat de vordering in kort geding was gebaseerd op artikel 7:677 BW Pro (doorbetaling loon) en niet op artikel 7:681 BW Pro (schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag), zodat de verjaring niet was gestuit.
Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid faalde, omdat de door appellant aangevoerde gezondheidsproblemen onvoldoende waren om het beroep op verjaring onaanvaardbaar te maken. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het hoger beroep af wegens verjaring van de vordering.