Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2014:6045

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2014
Publicatiedatum
24 februari 2015
Zaaknummer
200.157.690/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub b FwArt. 48 lid 1 WckArt. 285 lid 1 sub f Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken juiste minnelijk traject

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het minnelijk traject niet was uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid van de Wet op het consumentenkrediet (Wck).

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich alsnog bij de gemeente Zaanstad heeft aangemeld, maar dat het minnelijk traject gedoemd was te mislukken vanwege een schuldeiser die geen akkoord wilde geven. Hij stelde dat deze situatie gelijkgesteld moet worden met een mislukt minnelijk traject. Het hof overwoog dat artikel 288, tweede lid, onder b Faillissementswet vereist dat de poging tot buitengerechtelijke schuldregeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde persoon of instelling, zoals een advocaat.

Uit de overgelegde stukken bleek dat appellant zelf de schuldeisers heeft benaderd en niet de advocaat die de verklaring had ondertekend. Daarom is niet voldaan aan de wettelijke eis en is de afwijzing van het verzoek door de rechtbank terecht. Het hof bekrachtigde het vonnis en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af wegens het ontbreken van een juiste minnelijk traject.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.157.690/01
rekestnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/214036 FT RK 14/817
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2014
in de zaak van
[X],
wonende te Wormerveer,
appellant,
advocaat: mr. J.M. Tang te Rotterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [X] genoemd.
[X] is bij op 15 oktober 2014 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 oktober 2014, waarbij het verzoek van [X] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
[X] heeft op 11 december 2014 een aanvullend beroepschrift overgelegd met bijlagen.
Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 16 december 2014. Bij die behandeling is [X] verschenen, bijgestaan door mr. Tang voornoemd, die het verzoekschrift mondeling heeft toegelicht.
Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift en de aanvulling daarop, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en de namens [X] op 11 december 2014 nader overgelegde stukken. [X] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1
[X] heeft in het verzoekschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [X] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [X] heeft zich, na de afwijzende beslissing van de rechtbank op de grond dat het minnelijk traject niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid van de Wet op het consumentenkrediet (Wck), alsnog aangemeld bij de gemeente Zaanstad. Dit minnelijk traject is volgens [X] echter gedoemd te mislukken omdat één schuldeiser heeft aangegeven met geen enkel voorstel akkoord te gaan. Deze situatie dient, aldus [X], gelijkgesteld te worden met de situatie waarin het minnelijk traject is doorlopen doch mislukt. [X] verwijst daarbij naar een uitspraak van het hof ‘s-Hertogenbosch van 5 juli 2011 (ECLI:NL:GHSHE:2011:BR5926).
2.2
Uit artikel 288, tweede lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen als de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid Wck. In laatstgenoemd artikel wordt een groot aantal personen en organisaties genoemd die zich – op commerciële – basis met schuldbemiddeling mogen bezighouden. Blijkens de tekst van voornoemde bepaling gaat het onder meer om gemeenten, gemeentelijke kredietbanken, advocaten, deurwaarders en beschermingsbewindvoerders. In artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f Fw is bepaald dat bij het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsanering een met redenen omklede verklaring moet worden overgelegd onder meer inhoudende dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Deze verklaring biedt een instrument om ervoor te zorgen dat eerst een buitenwettelijke oplossing wordt beproefd en blijkens artikel 288, tweede lid, aanhef en onder b Fw moet deze worden afgegeven door het college van burgemeester en wethouders dan wel door een in het wetsartikel genoemde instelling of (rechts)persoon aan wie de bevoegdheid is gemandateerd. Zoals hiervoor reeds is vermeld kan deze persoon ook een advocaat zijn.
2.3
[X] heeft bij zijn verzoekschrift tot toelating tot de schuldsanering een door mr. [A], advocaat te Alkmaar, ondertekende verklaring overgelegd waarin deze advocaat verklaart dat er geen reële mogelijkheden bestaan dat [X] met zijn schuldeisers tot een buitengerechtelijke schuldregeling komt. Uit de verklaring en uit de bij die verklaring overgelegde bijlagen blijkt dat de poging om met (enkele) schuldeisers tot een regeling te komen niet door mr. Koopman maar door [X] zelf is ondernomen. Ook ter gelegenheid van de zitting in eerste aanleg heeft [X] - desgevraagd - meegedeeld dat mr. [A]bij het benaderen van de schuldeisers niet betrokken is geweest maar dat hij, [X], dit geheel zelf heeft gedaan.
2.4
Bij deze stand van zaken heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het door [X] ingediende verzoek afgewezen dient te worden op grond van het in artikel 288 lid 2 sub b Fw Pro bepaalde. Uit de samenhang van de onder 2.2 genoemde artikelen volgt immers dat indien in de in artikel 285 lid 2 sub b Fw Pro genoemde verklaring wordt meegedeeld dat, na een daartoe ondernomen poging, geen reële mogelijkheden bestaan om met de schuldeisers tot een schuldregeling te komen, deze poging dient te zijn uitgevoerd door een advocaat, zijnde een persoon als bedoeld in artikel 48 lid 1 Wck Pro, aan welke eis in de onderhavige zaak niet is voldaan.
2.5
Het vooroverwogene betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, M.L.D. Akkaya en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.