ECLI:NL:GHAMS:2014:6146

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 juli 2014
Publicatiedatum
7 oktober 2015
Zaaknummer
13/00006
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 lid 5 Successiewet 1956Art. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 11 Wet houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde voor erfbelasting bij waardering legaat

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de erfbelastingaanslag die was gebaseerd op een WOZ-waarde van €457.000 voor een woning uit de nalatenschap van zijn moeder. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De kern van het geschil betrof de waardering van het legaat dat belanghebbende ontving. Hij stelde dat de waarde gelijk moest zijn aan het daadwerkelijk ontvangen bedrag van circa €45.700 of subsidiair dat een lagere economische waarde van €325.000 moest worden gehanteerd. Het Hof oordeelt dat de Successiewet 1956 voorschrijft dat voor erfbelasting de WOZ-waarde geldt, en dat de civielrechtelijke waardering niet ter beoordeling staat.

Het Hof benadrukt dat de WOZ-waarde na bezwaar onherroepelijk vaststaat en dat het niet bevoegd is om deze te verlagen. Ook het beroep op billijkheid wordt verworpen omdat de rechter gebonden is aan de wet en niet mag afwijken van de wettelijke waarderingsregels.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er worden geen kosten aan de wederpartij opgelegd. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €457.000 blijft leidend voor de erfbelastingaanslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00006
24 juli 2014
uitspraak van de meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/2555 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant/kantoor ‘s-Hertogenbosch,
de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 17 januari 2012 aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd berekend naar een belaste verkrijging van € 43.430.
1.2.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 9 mei 2012, de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Bij uitspraak van 23 november 2012, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 januari 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

In de ontwikkeling van het geschil in hoger beroep vindt het Hof aanleiding de feiten als volgt vast te stellen:
2.1.
Op 29 oktober 2010 overleed te [P] mevrouw [X-A] , geboren op 20 september 1924 (hierna: erflaatster). Zij heeft vijf kinderen als afstammelingen achtergelaten, onder wie belanghebbende.
2.2.
Tot de nalatenschap van erflaatster behoort de onroerende zaak, gelegen aan de [B-straat] [1] te [P] (hierna: de woning).
2.3.
De WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2010 met waardepeildatum 1 januari 2009 is bij beschikking vastgesteld op € 576.000. Bij uitspraak op bezwaar is de WOZ-waarde verlaagd tot € 457.000.
2.4.
Bij testament van 21 juli 2008 heeft erflaatster over haar nalatenschap beschikt. Hierbij heeft zij belanghebbende onterfd en haar overige kinderen tot haar erfgenamen benoemd. Aan belanghebbende heeft zij een tweetal legaten toegekend.
2.5.
Belanghebbende heeft op 28 december 2011 krachtens legaat een bedrag van € 45.697,84 ontvangen op zijn bankrekening.
2.6.
Op 5 augustus 2011 is de aangifte voor de erfbelasting ingediend. De aan belanghebbende toekomende legaten zijn, uitgaande van een waarde van de woning van € 400.000, aangegeven voor een waarde van € 60.000.
2.7.
In zijn brief van 18 november 2011 aan de inspecteur heeft de notaris de aan belanghebbende toekomende legaten berekend op een waarde van € 62.430,55, uitgaande van een waarde van de woning van € 457.000.
2.8.
De inspecteur heeft in de onder 1.1 genoemde aanslag de aan belanghebbende toegekende legaten vastgesteld op een waarde van € 62.430.

3.Geschil in hoger beroep

3.1.
Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil de waarde voor de erfbelasting van het legaat dat door erflaatster aan belanghebbende is toegekend.
3.2.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belaste verkrijging van € 45.697.
3.4.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Niet in geschil is dat de woning een woning is in de zin van artikel 21, lid 5, van de Successiewet 1956. Ingevolge deze bepaling wordt een woning voor de heffing van de erfbelasting in aanmerking genomen naar de WOZ-waarde voor het kalenderjaar waarin de verkrijging plaatsvindt. Niet in geschil is dat de WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2010 op een bedrag van € 457.000 is vastgesteld en dat de erfrechtelijke verkrijging van belanghebbende voor de heffing van erfbelasting, uitgaande van deze waarde, € 62.430 bedraagt.
4.2.
Primair stelt belanghebbende dat de waarde van de legaten gelijk is aan het bedrag dat hij daadwerkelijk heeft ontvangen, namelijk € 45.697,84. Subsidiair stelt belanghebbende dat de waarde in het economische verkeer van de woning op het moment van overlijden van erflaatster € 325.000 bedraagt en dat voor de waardering van de legaten van deze waarde moet worden uitgegaan. Deze stellingen vinden echter geen steun in het recht. Belanghebbende gaat er ten onrechte vanuit dat voor de heffing van erfbelasting mag worden aangesloten bij de verkrijging zoals deze is uitbetaald door de notaris. Voor de heffing van erfbelasting moet echter worden aangesloten bij de waarderingsregels zoals deze zijn neergelegd in de Successiewet 1956. Noch zijn primaire, noch zijn subsidiaire stelling kunnen daarom worden gevolgd.
4.3.
Voorts stelt belanghebbende dat de WOZ-waarde tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Tegen de vaststelling van de WOZ-waarde is bezwaar gemaakt en daarop is door de heffingsambtenaar van de gemeente ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan. Tegen de uitspraak op bezwaar is geen beroep ingesteld zodat de waarde van € 457.000 vast staat en ook voor de heffing van erfbelasting moet worden gevolgd. De WOZ-waarde kan niet door de belastingrechter in de onderhavige procedure worden verlaagd.
4.4.
Voor zover belanghebbende erover klaagt dat bij de civielrechtelijke waardering van de legaten is uitgegaan van een lagere waarde dan de WOZ-waarde, heeft te gelden dat de civielrechtelijke berekening van de omvang van het legaat niet ter beoordeling van de belastingrechter staat.
4.5.
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.
4.6.
Artikel 21, lid 5, van de Successiewet 1956 heeft, zoals belanghebbende met recht stelt, tot gevolg dat hij over een groter bedrag erfbelasting moet betalen dan dat hij in werkelijkheid heeft gekregen. Deze bepaling is volgens belanghebbende bijzonder oneerlijk en hij vraagt het Hof om deze oneerlijkheid te herstellen. Dit herstel kan het Hof echter niet bieden. Volgens artikel 11 van Pro de Wet houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28) moet de rechter volgens de wet recht spreken en mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. De bepaling is ook niet in strijd met internationale Nederland bindende verdragen.
Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5.Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, A.P.M. van Rijn en B.F.A. van Huijgevoort, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Stassen-Kanters, als griffier. De beslissing is op 24 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.