Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
11 maart 2014
mr. J.J. Dijkmante Hoofddorp.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling nadat de rechtbank haar verzoek had afgewezen wegens het niet te goeder trouw ontstaan van schulden. De schulden betroffen onder meer een schuld aan de Dienst Werk en Inkomen (DWI) en een kinderopvangschuld aan stichting OPA.
Appellant betoogde dat zij destijds haar situatie niet volledig overzag vanwege persoonlijke omstandigheden, waaronder de zorg voor haar ernstig zieke vader, haar tijdelijke arbeidsongeschiktheid en het overlijden van haar vader. Zij stelde dat zij de DWI tijdig had geïnformeerd over haar nul-urencontract en dat zij ten onrechte een terugvordering van de uitkering had ontvangen.
Het hof oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan van de schulden, mede omdat zij een vast bedrag ontving terwijl haar contract was beëindigd en zij te laat bezwaar maakte tegen de terugvordering. Desondanks achtte het hof het aannemelijk dat appellant de omstandigheden die tot de schulden leidden inmiddels onder controle had gekregen, haar administratie op orde hield, geen nieuwe schulden maakte en actief werk zocht.
Op grond hiervan vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank, verklaarde alsnog de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing en verwees de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland voor voortzetting met inachtneming van het arrest.
Uitkomst: Het gerechtshof laat appellant alsnog toe tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en vernietigt het vonnis van de rechtbank.