Uitspraak
de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,
de inspecteur van de Belastingdienst [D],de inspecteur.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak gaat het om een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 1999.
De procedure kenmerkt zich door een langdurige en complexe behandeling, mede door prejudiciële vragen over de verlengde navorderingstermijn en de betrokkenheid van meerdere belastingplichtigen. Het bezwaarschrift werd ingediend in 2003, met een uitspraak op bezwaar in 2006, gevolgd door beroepsprocedures bij rechtbank en hof die zich uitstrekten tot 2012.
Het Hof stelt vast dat de redelijke termijn voor de eerste fase (bezwaar en beroep in eerste aanleg) met ruim drie jaar en zeven maanden is overschreden en voor de tweede fase (hoger beroep) met ruim drie maanden. De overschrijding wordt deels toegerekend aan bijzondere omstandigheden zoals de complexiteit van de zaak en deels aan het gedrag van belanghebbende.
Het Hof kent een immateriële schadevergoeding toe van in totaal €4.500, waarvan €1.500 ten laste van de inspecteur en €3.000 ten laste van de Minister van Veiligheid en Justitie. Tevens worden proceskosten van €244 toegewezen, gelijk verdeeld over inspecteur en Minister.
De uitspraak benadrukt het belang van een redelijke termijn in belastinggeschillen en bevestigt dat bij overschrijding, behoudens bijzondere omstandigheden, vergoeding van immateriële schade passend is.
Uitkomst: Het Hof kent een immateriële schadevergoeding van €4.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, te betalen door inspecteur en Minister.