ECLI:NL:HR:2008:BC7249
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over navorderingstermijn van twaalf jaar voor buitenlandse spaartegoeden
Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over buitenlandse spaartegoeden uit de jaren 1993-1997. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende cassatie instelde. De kernvraag betrof de langere navorderingstermijn van twaalf jaar voor buitenlandse tegoeden versus vijf jaar voor binnenlandse.
De Hoge Raad analyseerde de wetsgeschiedenis en het doel van de langere termijn, namelijk het gebrek aan effectieve controlemogelijkheden bij buitenlandse tegoeden. Dit werd gezien als een rechtvaardigingsgrond voor de afwijking van de standaardtermijn.
De Hoge Raad concludeerde dat de langere termijn een belemmering van het vrije kapitaal- en dienstenverkeer kan vormen, maar dat deze belemmering gerechtvaardigd kan zijn door het belang van doeltreffende fiscale controle. Gezien de complexe internationale context en het ontbreken van bilaterale afspraken in de betreffende periode, achtte de Hoge Raad de navorderingstermijn van twaalf jaar proportioneel.
Omdat niet met zekerheid kon worden uitgesloten dat de regeling strijdig is met het EG-Verdrag, verzocht de Hoge Raad het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak. Het geding werd geschorst in afwachting van deze beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst het geding en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de navorderingstermijn van twaalf jaar voor buitenlandse spaartegoeden.