Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Kosten
6.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank; en
- verklaart het beroep ongegrond.
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende was ingeschreven in de GBA op een adres met huisnummer 1A terwijl een huisnummerbesluit van maart 2011 een toevoeging 1B aan dat adres gaf. De aanslagen waterschapsbelasting voor 2012 werden opgelegd op basis van de GBA-gegevens per 1 januari 2012, waarin de toevoeging nog niet was verwerkt. De rechtbank had de aanslagen vernietigd omdat de heffingsambtenaar op de hoogte was van de adreswijziging en daardoor de aanslagen onjuist zouden zijn.
In hoger beroep stelde de heffingsambtenaar dat hij mocht afgaan op de GBA-gegevens zoals die op de peildatum bestonden, ook al waren deze achteraf onjuist. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar in beginsel mag vertrouwen op de GBA-gegevens voor het vaststellen van ingezetenschap en gebruik van woonruimte, tenzij er feiten of omstandigheden zijn die dat vertrouwen ondergraven. In dit geval was niet gebleken dat de heffingsambtenaar had moeten afwijken van de GBA-gegevens.
Het hof stelde vast dat belanghebbende op 1 januari 2012 gebruiker was van een zelfstandige woonruimte in het pand en dat de aanslagen de woonruimteaanduiding bevatten zoals die op die datum in de GBA stond. De latere verwerking van de huisnummerwijziging in de GBA kon niet aan de heffingsambtenaar worden toegerekend. De aanslagen waren dus terecht opgelegd en niet nietig. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar werd gegrond verklaard en het beroep van belanghebbende ongegrond, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.
Uitkomst: Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond, waarmee de aanslagen waterschapsbelasting terecht zijn opgelegd.