Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen hadden een relatie van mei 1999 tot maart 2013 waaruit een kind is geboren in november 2012. De vrouw verzocht om een hogere kinderalimentatiebijdrage van de man dan door de rechtbank was vastgesteld. De man betwistte samenwoning en stelde dat de behoefte van het kind op basis van de situatie van gescheiden ouders moest worden berekend.
Het hof overwoog dat de economische eenheid van de man met een andere partner en diens kinderen vaststaat, en dat de periode van samenwoning met de vrouw te kort was om het gezamenlijke inkomen als basis te nemen voor de behoefte van het kind. Het hof volgde de rechtbank in de berekening van de behoefte en draagkracht van partijen, inclusief de toepassing van het kindgebonden budget en zorgkorting.
De man werd geacht 35-38% van de gezamenlijke draagkracht te hebben, wat resulteerde in een alimentatiebijdrage van €77 per maand. De ingangsdatum van de alimentatie werd vastgesteld op 29 oktober 2013. Het hof wees het bewijsaanbod van partijen af omdat dit de uitkomst niet zou wijzigen. De vrouw werd niet veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de alimentatiebijdrage van de man op €77 per maand met ingang van 29 oktober 2013.