ECLI:NL:GHAMS:2015:1594
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beroep werkgever op termijn voor bovenwettelijke ZW-uitkering niet onaanvaardbaar
In deze zaak vordert de werknemer betaling van een bovenwettelijke Ziektewetuitkering (ZW-uitkering) die zij te laat heeft aangevraagd. De werknemer was op grond van een arbeidsovereenkomst met toepassing van de cao voortgezet onderwijs ziek gemeld en heeft na het einde van haar dienstverband een aanvraag voor een aanvulling op de ZW-uitkering ingediend, maar niet binnen de voorgeschreven termijn van zeven dagen.
De werkgever beroept zich op het vervalbeding in de cao, dat voorschrijft dat de aanspraak op de bovenwettelijke ZW-uitkering vervalt indien niet tijdig een aanvraag wordt ingediend, tenzij de werknemer kan aantonen dat zij redelijkerwijs niet in staat was de termijn in acht te nemen. De werknemer stelt dat dit beroep onredelijk is en dat de werkgever onvoldoende heeft geïnformeerd over het recht op de uitkering, waardoor zij een beroep op de hardheidsclausule kan doen.
Het hof oordeelt dat de termijn van zeven dagen niet onredelijk kort is en dat het initiatief voor de aanvraag bij de werknemer mag liggen, omdat het een voorwaardelijk recht betreft. De werknemer had voldoende gelegenheid om zich op de hoogte te stellen van haar rechten, ook na de ziekmelding en het bericht over het einde van het dienstverband. De werkgever heeft naar het oordeel van het hof voldoende aan haar informatieplicht voldaan. De grief dat de hardheidsclausule had moeten worden toegepast faalt omdat de werknemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door haar ziekte niet tijdig kon aanvragen.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de werknemer in de kosten van het geding in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van de werknemer af wegens overschrijding van de aanvraagtermijn voor de bovenwettelijke ZW-uitkering.