Uitspraak
[veroordeelde],
(Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 36 en 73)
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) centraal bij een ontnemingsvordering die na overschrijding van de wettelijke termijn van twee jaar is ingediend. De ontnemingsprocedure werd aanvankelijk aanhangig gemaakt binnen de termijn, maar de rechtbank verklaarde zich onbevoegd, waarna het OM de vordering opnieuw indiende na het verstrijken van de termijn.
De verdediging voerde aan dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van artikel 511b Sv, dat een termijn van twee jaar stelt voor het aanhangig maken van de ontnemingsvordering. Het hof oordeelde echter dat deze termijnoverschrijding niet tot niet-ontvankelijkheid leidt omdat de veroordeelde steeds op de hoogte was van de procedure en er continuïteit in de procesgang was.
De wetgever had deze situatie niet voorzien en het rechtszekerheidsbeginsel werd niet geschonden omdat de veroordeelde niet in onzekerheid werd gelaten. Het hof verklaarde het OM ontvankelijk en schorste het onderzoek voor onbepaalde tijd met een oproep voor een toekomstige zitting.
Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de ontnemingsvordering ondanks overschrijding van de wettelijke termijn.