ECLI:NL:GHAMS:2015:2037
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling huurovereenkomst woonruimte versus bedrijfsruimte en bewijsgebruik
In deze zaak stond centraal of de huurovereenkomst tussen [X] B.V. en [geïntimeerde] betrekking had op woonruimte of bedrijfsruimte. De kantonrechter had reeds geoordeeld dat het van belang is wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen hadden. Het hof heeft nader bewijs toegelaten en getuigen gehoord om vast te stellen dat [X] B.V. op de hoogte was van de verbouwing tot woonruimte en het feitelijke gebruik als zodanig.
De getuigenverklaringen, waaronder die van [C], bevestigden dat er vanaf het begin plannen waren om de ruimte te splitsen en te verbouwen tot woonruimte, en dat deze plannen met de toenmalige bestuurder van [X] B.V., [X] sr., waren besproken en goedgekeurd. Ondanks dat het contract als bedrijfsruimte was geformuleerd, was het feitelijke gebruik en de intentie van partijen gericht op bewoning.
Het hof oordeelde dat het criterium van artikel 7:290a BW bepaalt dat een overeenkomst alleen niet als huur van woonruimte geldt als het gehuurde in overwegende mate voor een ander doel dan bewoning wordt gebruikt. Dit was niet het geval. De latere bedrijfsuitoefening was een bijkomstigheid en geen grondslag voor de overeenkomst. De kantonrechter werd dan ook in haar oordeel bekrachtigd dat [geïntimeerde] terecht niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn verzoek tot verlenging van ontruimingsbescherming.
De bestreden beschikkingen werden bekrachtigd en [X] B.V. werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt gekwalificeerd als huur van woonruimte en het verzoek tot verlenging van ontruimingsbescherming wordt afgewezen.