ECLI:NL:GHAMS:2015:240
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing op verkrijging box-3 vermogen bij erfrecht
Belanghebbende stelde dat het ongelijk behandelen van ondernemingsvermogen en box-3 vermogen bij de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het hof verwijst naar eerdere arresten van de Hoge Raad waarin deze kwestie is behandeld en wijst het beroep af. Daarnaast merkt het hof op dat de meerderheidsregel niet relevant is voor de toetsing van de wettelijke regeling aan het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving.
Het hof benadrukt dat het niet bevoegd is om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen, conform artikel 11 van Pro de Wet van 15 mei 1829. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Tevens ziet het hof geen aanleiding om de kosten van het geding aan belanghebbende op te leggen.
De uitspraak is op 21 januari 2015 mondeling gedaan door de belastingkamer van het gerechtshof Amsterdam. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden binnen zes weken na verzending van het vonnis.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bedrijfsopvolgingsfaciliteit is niet van toepassing op box-3 vermogen verkregen krachtens erfrecht.