Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
Klaagster heeft een klacht ingediend tegen twee notarissen over de wijze van toerekening van de saldi van en/of rekeningen aan de nalatenschap van haar overleden broer, en over het late ontvangen van een overzicht zoals bedoeld in het testament.
De kamer voor het notariaat verklaarde een groot deel van de klachten niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de klachttermijn en verklaarde de overige klachten ongegrond. Het hof bevestigt dit oordeel grotendeels, maar vernietigt het besluit voor de klachten tegen notaris sub 2 en verklaart deze niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof oordeelt dat de klacht over de toerekening van bankrekeningen aan de nalatenschap te laat is ingediend, omdat de discussie hierover ontstond na ontvangst van het vermogensoverzicht in april 2009, terwijl de klacht pas in 2014 werd ingediend. Het verwijt dat notaris sub 1 zich onterecht boedelnotaris noemde is ongegrond, omdat dit geen gevolgen had en klaagster wist wie de boedelnotaris was.
Het hof benadrukt dat het jaarlijks verstrekken van een overzicht aan erfgenamen een verplichting is van de vruchtgebruikster, niet van de executeur, zodat notaris sub 1 niet kan worden verweten het overzicht pas in 2014 te hebben verstrekt. De overige klachten worden bevestigd zoals door de kamer vastgesteld.
Uitkomst: Klacht van klaagster tegen notarissen wordt grotendeels niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard, met vernietiging van beslissing voor notaris sub 2 klachten.