Uitspraak
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
aanzienlijkbedrag heeft verzwegen. Daaraan doet niet af dat de gestelde gebreken (mogelijk) een schending van de administratieplicht inhouden. Het Hof acht in dit kader mede relevant dat de inspecteur - anders dan in de casus in de uitspraak van het Hof van 10 juli 2014 (GHAMS:2014:4380) - geen negatief privé heeft geconstateerd. Tevens wijst het Hof er op dat de verslagen van de ‘waarnemingen ter plaatse’ mogelijk inhouden dat er zich onregelmatigheden in de loonadministratie hebben voorgedaan, maar dat betekent nog niet dat de arbeid van die personen heeft geleid tot de extra (aanzienlijke) omzet in 2009 waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd. Voorts wijst het Hof op het feit dat de pin/cashtransactie verhouding in 2009 met een percentage van 50/50 - onbetwist - normaal kan worden geacht, waarmee een structurele omzetverzwijging in 2009 minder voor de hand ligt. Tot slot heeft belanghebbende een verklaring gegeven voor de onjuist geboekte journaalpost van € 195.000. Het voorgaande leidt tot ’s Hofs oordeel dat ook al het overige door de inspecteur gestelde in aanmerking genomen niet de conclusie noch het vermoeden wettigt dat belanghebbende in 2009 aanzienlijke bedragen niet heeft aangegeven.
5.Proceskosten
6.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 tot het bedrag van € 11.722; en vermindert de 2008/2009-boete dienovereenkomstig;
- vermindert de boete met 5%;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.954; en
- gelast de inspecteur het betaalde griffierecht ad € 310 (beroep bij de rechtbank) en € 493 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 803 te vergoeden.