ECLI:NL:GHAMS:2015:3759
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw zijn
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Hij betoogde dat hij niet te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van zijn schuld aan de belastingdienst, omdat zijn onderneming minder winstgevend werd en hij niet kon voldoen aan zijn betalingsverplichtingen.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet, toelating tot de schuldsaneringsregeling alleen mogelijk is indien de schuldenaar te goeder trouw is geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Het hof oordeelt dat appellant dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De schuld van € 29.096 aan de belastingdienst is niet te goeder trouw ontstaan omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn fiscale verplichtingen heeft nageleefd. Vertrouwen op de accountant ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid.
Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat zijn persoonlijke situatie zodanig is gestabiliseerd dat nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling gewaarborgd is. Hoewel hij zijn bedrijf heeft gestaakt en nu in loondienst werkt, is dit onvoldoende om te concluderen dat hij de omstandigheden die tot zijn schulden leidden onder controle heeft. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank dat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afwijst.