Uitspraak
1.[appellant sub 1] ,
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
full servicesupermarkten en één
discounter.
full service) supermarkt in het nieuwe winkelcentrum gevestigd en in verband daarmee het pand aan [adres] illegaal samengevoegd met het aangrenzende pand aan [adres] . De vestiging van deze
full servicesupermarkt was niet voorzien in de planvorming uit 2001 en kwam bovenop de daarin voorziene twee
full servicesupermarkten en de
discounter. De gemeente heeft op 18 juni 2001 een besluit tot handhaving genomen tegen de illegale verbouwing door [Z] en bij besluit van 11 februari 2002 de door [Z] gevraagde bouwvergunningen geweigerd.
Grief 2is gericht tegen het in de overwegingen 4.7 en 4.8 neergelegde oordeel van de rechtbank dat het gestelde verlies aan goodwill geen gevolg kan zijn van het onrechtmatige handelen van de gemeente, kort gezegd, omdat [X] de exploitatie van de supermarkt al bijna twee jaar (bedoeld zal zijn: ruim één jaar) voor aanvang van het onrechtmatig handelen van de gemeente heeft gestaakt en - gelet op de desbetreffende gemotiveerde betwisting door de gemeente - onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd dat zij op grond van een met [E] overeengekomen koopoptie de supermarkt met goodwill voor nul euro zou hebben teruggekocht, als de gemeente handhavend tegen [Z] zou zijn opgetreden.
full servicesupermarkt) te vestigen die met de [Y] van [X] zou kunnen concurreren. Alleen door de illegale samenvoeging van dat pand met [adres] (en de als gevolg daarvan ontstane grote ruimte) kon [Z] ter plekke een dergelijke supermarkt vestigen. Als de gemeente niet onrechtmatig zou hebben gehandeld, derhalve na de uitspraak van de Raad van State van 8 december 2004 handhavend tegen [Z] zou hebben opgetreden, had [Z] ter plekke geen volwaardige supermarkt kunnen vestigen en was de door [X] alsdan van [E] - krachtens een door haar en [E] overeengekomen koopoptie - teruggekochte [Y] marktdominant en rendabel geworden. Deze vervolgens in de opbouwfase van het nieuwe winkelcentrum door de [Y] van [X] verworven positie zou niet verloren zijn gegaan, indien [Z] later, na het verkregen hebben van de benodigde vergunningen, alsnog ter plekke een volwaardige supermarkt zou hebben gevestigd.
haar winkeloppervlakte zou hebben teruggebracht en/of had moeten terugbrengen. [Z] had er ook voor kunnen kiezen verbeurde dwangsommen te betalen en niet te voldoen aan de aanschrijving van 18 juni 2001. In dat geval had de gemeente een nieuw handhavingstraject moeten opstarten met alle mogelijkheden van bezwaar en beroep van dien. Bezwaar en beroep was kansrijk geweest in verband met het inmiddels ingezette (rechtmatige) legaliseringstraject dat heeft geleid tot de vergunning van 14 maart 2007”.
grief 4komen [appellanten] op tegen de afwijzing van de door hen gevorderde schade wegens waardevermindering van het bedrijfspand van [appellant sub 1] .
7is aangeduid en die is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de twee onder 3.1 (i) genoemde pro memorieposten, evenmin doel. Deze posten zijn bovendien te onbepaald om te kunnen worden toegewezen.