Uitspraak
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2] ,
[geïntimeerde sub 3] ,
[geïntimeerde sub 4] ,
1.Het verdere geding in hoger beroep
2.De verdere beoordeling
incl. achteruitbouw”, “vloerdeel voor en
achteruitbouw”) constateert het hof dat [appellant] onder punt 9 van zijn brief van 10 oktober 2012 aan [geïntimeerden] (productie 36 inleidende dagvaarding) heeft toegelicht dat het hier om een onvoorziene noodzakelijke ingreep ging, die nodig was omdat Bouw en Woningtoezicht een staalconstructie eiste, en dat het funderingsherstel anders niet kon worden uitgevoerd. Dat brengt mee dat - behoudens voor zover hierna ter zake van specifieke facturen anders wordt geoordeeld - op onderdelen ook kosten die verband houden met de achteruitbouw als noodzakelijke funderingskosten zullen worden aangemerkt. Voor het overige geldt dat kosten met betrekking tot de woning van [appellant] voor vergoeding in aanmerking komen voor zover het maken van die kosten nodig was om het funderingsherstel te kunnen uitvoeren. De staat waarin het pand van [appellant] verkeerde acht het hof in dat verband niet van belang. Die staat doet immers niet af aan de noodzaak van die kosten. In dit verband dient te worden opgemerkt dat in het overleg tussen [appellant] en [geïntimeerde sub 4] altijd tot uitgangspunt is genomen dat het funderingsherstel via het pand van [appellant] zou worden uitgevoerd. Het feit dat dat uiteindelijk ook is gebeurd, heeft voor [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerden] ook evidente voordelen meegebracht. Bovendien is het hof niet gebleken dat de staat van het pand van [appellant] zoveel slechter was dan dat van [geïntimeerde sub 4] dat die de door [geïntimeerden] te dragen funderingskosten op onredelijke wijze heeft doen oplopen.