ECLI:NL:GHAMS:2015:4815
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geschil over parkkosten en schadevergoeding tussen Recreatie Beheer en appellant
In deze civiele zaak staat een conflict centraal over de door Recreatie Beheer in rekening gebrachte parkkosten over de jaren 2012 en 2013 en de vraag of appellant tot betaling gehouden is. Het hof heeft eerder een tussenarrest gewezen waarin Recreatie Beheer werd opgedragen nadere rekening en verantwoording af te leggen over de parkkosten, inclusief de jaren 2009 tot en met 2011, om te beoordelen of sprake is van structureel te hoge kosten.
Recreatie Beheer heeft een kostenoverzicht en een rapport van een accountant overgelegd, maar appellant betwistte dat deze stukken voldoen aan de opdracht van het hof. Het hof oordeelt dat Recreatie Beheer onvoldoende heeft toegelicht en gespecificeerd dat de aanpassingsverplichting uit de leveringsakte niet in de weg staat aan de gevorderde parkkosten. De rekening en verantwoording roept meer vragen op dan dat zij beantwoordt, waardoor appellant terecht een beroep op opschorting kan doen en de vorderingen van Recreatie Beheer worden afgewezen.
Daarnaast is vastgesteld dat Recreatie Beheer c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor schade aan appellant door het buiten gebruik stellen van het riool. Het hof veroordeelt Recreatie Beheer c.s. tot betaling van een bedrag van €5.500,- met wettelijke rente aan appellant. Tevens wordt appellant veroordeeld tot betaling aan Recreatie Beheer en NHRS van diverse bedragen met contractuele rente. De vorderingen worden niet verrekend maar zelfstandig toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van Recreatie Beheer over parkkosten 2012-2013 af wegens onvoldoende rekening en verantwoording, veroordeelt appellant tot betaling aan Recreatie Beheer en NHRS, en veroordeelt Recreatie Beheer c.s. hoofdelijk tot schadevergoeding aan appellant.